ECLI:NL:HR:2004:AP1370
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Ongelijke fiscale behandeling gehuwden en ongehuwd samenwonenden inzake persoonlijkeverplichtingenrente
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, waarbij de aftrek van persoonlijkeverplichtingenrente werd beperkt. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof artikel 45, lid 4, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat een onderscheid maakt tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden bij de maximale aftrek van renten op schulden. Gehuwden mogen tot maximaal ƒ 10.404 aftrekken, terwijl ongehuwd samenwonenden elk slechts ƒ 5.202 mogen aftrekken, tezamen dus maximaal ƒ 10.404.
Belanghebbende stelde dat dit onderscheid een verboden discriminatie oplevert in strijd met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). De Hoge Raad oordeelde dat dit onderscheid objectief en redelijk is gerechtvaardigd, mede omdat ongehuwd samenwonenden fiscaal zelfstandig worden aangeslagen en samen evenveel aftrek kunnen krijgen als gehuwden.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee werd bevestigd dat het fiscale onderscheid niet onrechtmatig is en dat de aanslag rechtmatig is gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt het fiscale onderscheid tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden.