ECLI:NL:HR:2004:AP1273

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/058HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76 ROArt. 119 Gr.wArt. 4-19 Wet van 22 april 1855Art. 483 SvArt. 12i Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in beklag tegen weigering strafvervolging ambtsmisdrijven

Klager diende een brief in bij de hoofdofficier van justitie met het verzoek tot strafrechtelijk onderzoek naar vermeende ambtsmisdrijven gepleegd door diverse oud-bewindslieden en politici. De hoofdofficier van justitie weigerde een onderzoek in te stellen. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof, dat zich deels onbevoegd verklaarde en het beklag deels afwees.

Het beklag werd vervolgens voorgelegd aan de Hoge Raad, die oordeelde dat de opdracht tot vervolging van ambtsmisdrijven door oud-politici uitsluitend kan worden gegeven bij Koninklijk besluit of door de Tweede Kamer, en niet door de Hoge Raad. Hierdoor is de Hoge Raad niet bevoegd om het beklag te behandelen, waardoor klager niet-ontvankelijk is.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat klager niet ontvankelijk is in zijn directe beklag aan de Hoge Raad en dat tegen de beschikking van het hof geen cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad verklaarde het beklag van klager derhalve niet-ontvankelijk en liet oproeping van klager achterwege.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen de weigering tot strafvervolging van ambtsmisdrijven.

Uitspraak

9 juli 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/058HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1. Het beklag
Met een op 16 oktober 2002 ten parkette van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg ingekomen brief heeft klager - verder te noemen: [klager] - zich gewend tot de hoofdofficier aldaar, waarin [klager] te kennen heeft gegeven aangifte te willen doen van strafbare feiten en hij de hoofdofficier van justitie heeft verzocht een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar onder meer verscheidene (oud)bewindslieden, (oud)leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ambtenaren van de belastingdienst, medewerkers van de Nationale Ombudsman en van justitie.
De hoofdofficier van justitie heeft bij brief van 12 november 2002 aan [klager] medegedeeld dat hij terzake geen strafrechtelijk onderzoek zal gelasten.
Tegen deze beslissing heeft [klager] bij brief van 4 december 2002 (ingekomen 5 december 2002) beklag gedaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Op 16 januari 2003 heeft [klager] het beklag ook voorgelegd aan de Hoge Raad.
Bij beschikking van 5 augustus 2003 heeft het hof zich onbevoegd verklaard, voor zover het beklag is gericht tegen (oud)leden van de Staten-Generaal, (oud)ministers en (oud)staatssecretarissen, het beklag in zoverre naar de Hoge Raad verwezen, en het beklag voor het overige afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [klager] in zijn beklag.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
2.1 Ingevolge de verwijzing door het hof is aan de Hoge Raad voorgelegd het beklag, voor zover gericht tegen de weigering van de officier van justitie over te gaan tot strafvervolging van (oud-)leden van de Staten-Generaal, (oud-)ministers en (oud-)staatssecretarissen.
2.2 Het beklag betreft weliswaar strafbare feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt - te weten door genoemde personen in hun voormelde betrekking beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in art. 76 RO Pro - maar de opdracht tot vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Gr Pro.w; art. 4-19 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv.), derhalve niet door de Hoge Raad. Nu de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van ambtsmisdrijven als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (HR 20 maart 1998, nr. 9076, NJ 1998, 549).
2.3 Voor zover klager zijn beklag ook rechtstreeks aan de Hoge Raad heeft voorgelegd, kan hij daarin om dezelfde reden niet worden ontvangen.
2.4 Voor zover klager in zijn schriftuur van 18 september 2003 bezwaren heeft geformuleerd tegen de beschikking van het hof op het beklag van niet-vervolging van de beklaagden op wie art. 76 RO Pro niet van toepassing is, kan hij daarin niet worden ontvangen, reeds omdat tegen een beschikking als bedoeld in art. 12i Sv., gelet op art. 445 Sv Pro., geen beroep in cassatie openstaat.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.