ECLI:NL:HR:2004:AP0426
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen opschortende werking gratieverzoek na aanvang tenuitvoerlegging straf
De zaak betreft een geschil tussen de Staat der Nederlanden en een veroordeelde over de opschortende werking van een gratieverzoek. De veroordeelde was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en werd opgeroepen zich te melden voor detentie. Na deze oproep diende hij een gratieverzoek in met het verzoek om opschortende werking.
De voorzieningenrechter wees de vordering van de veroordeelde af, maar het hof vernietigde dit vonnis en kende de opschortende werking toe. De Staat stelde cassatie in tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat de tenuitvoerlegging van de straf was aangevangen op het moment van de oproep tot melding en dat een gratieverzoek dat daarna wordt ingediend geen opschortende werking kan hebben.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof, bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de veroordeelde in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat de opschortende werking van een gratieverzoek slechts geldt indien de tenuitvoerlegging van de straf nog niet is aangevangen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een gratieverzoek geen opschortende werking heeft indien de tenuitvoerlegging van de straf reeds is aangevangen.