ECLI:NL:HR:2004:AP0263
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toewijzing loonvordering na betwist ontslag op staande voet
In deze zaak vorderde een werknemer, na een ontslag op staande voet, in kort geding doorbetaling van zijn salaris totdat het dienstverband rechtsgeldig zou zijn beëindigd. De kantonrechter wees deze vordering toe omdat het ontslag voorshands niet rechtsgeldig leek.
Het gerechtshof vernietigde het vonnis voor zover de werkgever tot betaling werd veroordeeld, maar bekrachtigde het voor het overige. Het hof oordeelde dat de bewijslast voor de rechtsgeldigheid van het ontslag bij de werkgever ligt en dat nader feitenonderzoek nodig was om de ontslaggronden te beoordelen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat in kort geding niet voldoende objectieve grond aanwezig was om het ontslag als rechtsgeldig te beschouwen, waardoor toewijzing van de loonvordering gerechtvaardigd was. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat bij toewijzing in kort geding niet alleen aannemelijkheid maar ook spoedeisend belang en belangenafweging, inclusief restitutierisico, moeten worden betrokken.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de werkgever in de proceskosten, waarmee de loonvordering in kort geding stand hield.
Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt in kort geding toegewezen zolang het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is vastgesteld.