Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AO6918

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/075HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 668 oud BWWet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige bouwvergunning aan niet-rechtsopvolger

In deze zaak vorderde Wabron B.V. schadevergoeding van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude wegens het onrechtmatig verlenen van een bouwvergunning aan een derde partij. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof Amsterdam stelde Wabron alsnog in het gelijk en kende haar een deel van de gevorderde schadevergoeding toe.

De gemeente stelde in cassatie dat Wabron niet als rechtsopvolger van de oorspronkelijke vergunningaanvrager kon worden aangemerkt, omdat de overdracht van rechten niet rechtsgeldig was. De Hoge Raad oordeelde dat de vordering tot schadevergoeding niet van rechtswege overgaat op een verkrijger van de bouwvergunning en dat de overdracht van de vordering aan Wabron niet voldoende was onderbouwd.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, waarmee de vordering van Wabron werd afgewezen. Tevens werd Wabron veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van Wabron af wegens gebrek aan rechtsopvolging.

Uitspraak

25 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/075HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE GEMEENTE HAARLEMMERLIEDE EN SPAARNWOUDE,
gevestigd te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema,
t e g e n
WABRON B.V.,
gevestigd te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Wabron - heeft bij exploot van 5 november 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Wabron te betalen een bedrag van ƒ 38.289,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 1993 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts een bedrag van ƒ 3.474,48 terzake buitengerechtelijke incassokosten en voorts Wabron te veroordelen in de kosten van dit geding.
De Gemeente heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 februari 2001 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft Wabron hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 21 november 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 6 februari 2001 waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Wabron alsnog toegewezen tot een bedrag van € 17.375,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 1993 en met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.576,65.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Wabron heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.
De advocaat van Wabron heeft bij brief van 15 april 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.1.1-1.1.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.
3.2 Voorzover thans van belang gaat het om het volgende.
Burgemeester en Wethouders van de Gemeente hebben bij besluit van 26 september 1991, aan de aanvrager verzonden op 2 oktober 1991, een door '[A] b.v.' aangevraagde bouwvergunning verleend.
Stellende dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door een bouwvergunning af te geven terwijl inmiddels het daarvoor nodige besluit van de raad van de Gemeente, dat voor het perceel waarop de aanvraag betrekking had een herziening van het bestemmingsplan werd voorbereid, was verlopen, heeft Wabron vergoeding van de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door haar geleden schade gevorderd. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, het hof heeft haar toegewezen.
3.3 Naar het hof heeft overwogen in rov. 4.5, heeft de Gemeente, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, aangevoerd dat Wabron niet kan worden aangemerkt als rechtsopvolger van vergunningaanvrager [A] B.V., aangezien niet deze laatste vennootschap maar [betrokkene 1] in privé medeoprichter was van Wabron, zodat de gepretendeerde vordering haar niet toekomt. Het hof heeft dit verweer verworpen, daartoe overwegende:
"4.6 Dit verweer gaat niet op. Bij onderhandse akte van 12 oktober 1991, overgelegd als productie 8 bij repliek, heeft [betrokkene 1], handelend in privé en in zijn hoedanigheid van directeur van IJsunie B.V., de uit bovengenoemde bouwvergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen aan Wabron overgedragen. Daarmee is de onderhavige vordering, die is gegrond op onrechtmatige verlening van deze bouwvergunning, rechtsgeldig aan Wabron gecedeerd volgens het toen geldende artikel 668 (oud) BW."
3.4 Het onrechtmatig handelen dat Wabron aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, heeft plaatsgevonden vóór 12 oktober 1991. Indien dit handelen inderdaad tot een vordering tot schadevergoeding jegens de Gemeente heeft geleid, is deze vordering derhalve vóór 12 oktober 1991 ontstaan en kwam zij toe aan de aanvrager van de vergunning. Anders dan het hof heeft aangenomen, kan zij niet worden aangemerkt als een uit de bouwvergunning voortvloeiend recht, noch als een nevenrecht dat van rechtswege overgaat op de verkrijger van het recht op de bouwvergunning; vgl. HR 12 november 1999, nr. C98/076, NJ 2000, 222. Onderdeel 1 slaagt derhalve.
Nu de betrokken akte geen andere te dezen relevante bepaling bevat dan door het hof is weergegeven, en de gedingstukken ook anderszins geen stellingen inhouden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat de bedoelde vordering op Wabron is overgegaan, moet de conclusie zijn dat de bedoelde vordering Wabron niet toekomt.
De Hoge Raad kan derhalve zelf de zaak afdoen door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 november 2002;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 6 februari 2001;
veroordeelt Wabron in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot:
- in hoger beroep op € 1.266,05;
- in cassatie op € 652,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.