ECLI:NL:HR:2004:AO6438

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02093/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14, eerste lid, IVBPRArt. 268 SvArt. 423, tweede lid, SvArt. 437, tweede lid, Sv
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onpartijdigheid raadsheer ondanks eerdere medegewezen arrest

In deze strafzaak was de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor ontuchtige handelingen met een minderjarige. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij hij aanvoerde dat sprake was van schending van het recht op een onpartijdige rechter, omdat een raadsheer die het eindarrest medegewezen had ook betrokken was bij een eerder tussenarrest in dezelfde zaak.

De Hoge Raad beoordeelde dit middel en concludeerde dat het medewijzen van een eerder arrest geen zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid oplevert, zeker nu in het eerste arrest het verweer van de verdachte was gehonoreerd en het hof niet aan een inhoudelijke beoordeling toe was gekomen. Ook het feit dat de rechter de stukken en de verdachte al eerder had gezien, maakt hem niet partijdig.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal werd gevolgd, die het cassatieberoep verwierp. De Hoge Raad vond geen grond om ambtshalve tot vernietiging over te gaan en wees het beroep af. Hiermee werd de veroordeling van de verdachte bevestigd.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de waarnemend-griffier aanwezig was.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

18 mei 2004
Strafkamer
nr. 02093/03
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 maart 2003, nummer 23/002483-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 19 januari 2001 - de verdachte ter zake van "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij de Hoge Raad is voorts een aantal geschriften van de verdachte binnengekomen, maar de Hoge Raad kan daarop geen acht slaan, nu volgens art. 437, tweede lid, Sv uitsluitend een raadsman namens de verdachte middelen van cassatie kan indienen.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat de art. 6 EVRM Pro en 14, eerste lid, IVBPR zijn geschonden op de grond dat het bestreden arrest mede is gewezen door mr. Van Asperen, terwijl deze ook het tussenarrest van het Hof, waarbij de zaak op de voet van art. 423, tweede lid, Sv naar de Rechtbank is verwezen, heeft medegewezen.
3.2. Het middel faalt op de daartoe in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal uiteengezette gronden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 mei 2004.