ECLI:NL:HR:2004:AO6340

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38876
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • J.C. van Oven
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 229d Gemeentewet
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep tegen aanslag onroerendezaakbelasting 2001

Belanghebbende werd voor het jaar 2001 een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd door de gemeente Doorn vanwege het gebruik van een recreatiewoning. Na bezwaar werd deze aanslag gehandhaafd. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde voor zover het de aanslag betrof en zich onbevoegd verklaarde voor het overige, namelijk een weigering tot uitkering van lokale lastenverlichting.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde dat noch artikel 229d van de Gemeentewet noch enige andere rechtsregel een vermindering van het belastingbedrag met maximaal ƒ 100 verplicht stelt. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat het Hof terecht onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep tegen het besluit over de lokale lastenverlichting, omdat dit geen belastingheffing betrof.

Ook de klacht over het niet toewijzen van proceskosten faalde, aangezien belanghebbende niet had gespecificeerd welke kosten waren gemaakt. De Hoge Raad zag geen gronden voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.876
26 maart 2004
BK
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 augustus 2002, nr. 01/1820, betreffende na te melden aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2001.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 wegens het gebruik van de onroerende zaak recreatiewoning 001 gelegen in het recreatiecentrum B, a-straat 1 te Q een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Doorn opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de sector middelen van de gemeente Doorn is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard voorzover het de aanslag onroerendezaakbelastingen 2001 (gebruikersbelasting) betreft, zich voor het overige onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen en het beroep doorgezonden naar de bestuursrechter in de rechtbank te Utrecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doorn heeft een verweerschrift ingediend.
Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een stuk ingezonden. Daarop kan geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanig stuk in te dienen.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard voorzover dat de aanslag onroerendezaakbelastingen 2001 (gebruikersbelasting) betrof. De hiertegen gerichte klacht faalt. Noch artikel 229d van de Gemeentewet noch enige andere rechtsregel brengt mee dat voor belanghebbende het belastingbedrag ter zake van de onroerendezaakbelastingen 2001 (gebruikersbelasting) moest worden verminderd met (ten hoogste) ƒ 100.
3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat het beroep van belanghebbende voor het overige gericht is tegen een, in de uitspraak op het bezwaar vervat, besluit van de heffingsambtenaar dat niet is genomen in het kader van de heffing van gemeentelijke belastingen, namelijk een weigering om belanghebbende ƒ 100 uit te keren op grond van de gemeentelijke "Beleidsregels met betrekking tot de uitvoering van de lokale lastenverlichting met ƒ 100". Het Hof heeft zich terecht onbevoegd verklaard om in zoverre kennis te nemen van het beroep van belanghebbende, zodat de daartegen gerichte klacht faalt.
3.3. Ook de klacht dat het Hof de gemeente niet heeft veroordeeld in de proceskosten faalt. Uit de stukken van het geding blijkt wel dat belanghebbende aan het Hof heeft verzocht de gemeente te veroordelen in 'de proceskosten', maar niet welke proceskosten zouden zijn gemaakt. Het Hof heeft kennelijk geen kosten aanwezig geoordeeld waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2004.