ECLI:NL:HR:2004:AO2296

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/198HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing vordering tot betaling van geldsom

De zaak betreft een vordering van verweerder tot betaling door eiser van een bedrag van ƒ 20.000, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. Verweerder had eiser gedagvaard en de rechtbank wees de vordering toe. Eiser stelde hoger beroep in, maar het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde het vonnis. Vervolgens stelde eiser cassatieberoep in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Verweerder was niet verschenen in cassatie en verstek werd verleend.

Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van verweerder nihil worden begroot. Het arrest bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van rechtbank en hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot betaling wordt bevestigd.

Uitspraak

9 april 2004
Eerste Kamer
Nr. C01/198HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 14 oktober 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - op verkorte termijn gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen aan [verweerder] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag in hoofdsom van ƒ 20.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 november 1994 tot aan de dag der algehele voldoening, alles vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van ƒ 2.185,-- met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding, de beslagkosten daaronder begrepen.
[Eiser] heeft een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen. Na verweer door [verweerder] heeft de rechtbank bij vonnis van 28 april 1999 de incidentele vordering afgewezen.
[Eiser] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 24 november 1999 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 8 februari 2001 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 april 2004.