ECLI:NL:HR:2004:AO2265

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01345/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 lid 2 SvArt. 69 lid 1 SvArt. 75 lid 1 SvArt. 77 lid 1 SvArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
14 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens poging tot diefstal met geweld en verboden wapenbezit. Het hof had de verdachte vrijgesproken van de hoofdaanklacht maar veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal en het handelen in strijd met de WWM.

In cassatie werd onder meer betoogd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat het cassatieberoep op 4 oktober 2002 was ingesteld en pas op 19 juni 2003 bij de Hoge Raad was ontvangen, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot strafvermindering.

Verder werd geoordeeld dat het bevel tot gevangenneming ex art. 65 lid 2 Sv Pro niet voorafgaand aan een hoorzitting van de verdachte of diens gemachtigde behoeft te worden gegeven. De Hoge Raad verwierp de klachten over het ontbreken van een motivering van het bevel en het niet horen van de verdediging voorafgaand aan het bevel.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en matigde deze tot twee jaar en elf maanden. De rest van het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De straf gaat in op de dag van het arrest van de Hoge Raad, met aftrek van de voorlopige hechtenis.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

10 februari 2004
Strafkamer
nr. 01345/03
SG/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 september 2002, nummer 23/003116-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 5 juni 2001 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 meest subsidiair "medeplegen van medeplichtigheid aan (de Hoge Raad leest:) poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, welke poging tot diefstal is voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, de dood ten gevolge hebbende" en 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf.
Voorts heeft het Hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Tenslotte heeft het Hof de gevangenneming van de verdachte bevolen.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, tot matiging van die straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte heeft op 4 oktober 2002 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 19 juni 2003 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het vierde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beoordeling van het tweede en het derde middel
5.1. Het tweede middel klaagt dat het Hof een bevel gevangenneming heeft gegeven zonder de tot de verdediging uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouwe daaromtrent te horen. Het derde middel klaagt dat het bevel tot gevangenneming onvoldoende is gemotiveerd.
5.2. Bij deze middelen mist de verdachte redelijk belang. Nu het eerste middel weliswaar tot vernietiging van de bestreden uitspraak leidt, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf met vermindering van die straf en het vierde middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zal op grond van art. 26, aanhef en onder a, Sr de bij 's Hofs eindarrest bepaalde gevangenisstraf waarop de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht, op de dag van de uitspraak van dit arrest van de Hoge Raad ingaan (vgl. HR 2 december 2003, LJN AN7088).
5.3. Ten overvloede verdient het volgende opmerking. De opvatting van het tweede middel, dat de rechter die op de voet van art. 65, tweede lid, Sv ambtshalve de gevangenneming van de verdachte beveelt, gehouden is de verdachte of, indien deze niet is verschenen, de advocaat die heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging vooraf te horen, is onjuist. Die opvatting vindt geen steun in het recht, meer in het bijzonder niet in art. 65, tweede lid, Sv. Zodanige verplichting vloeit, mede gelet op het bepaalde in art. 69, eerste lid, Sv, art. 75, eerste lid, Sv en art. 77, eerste lid, Sv, ook niet voort uit art. 5 EVRM Pro.
6. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en elf maanden beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 10 februari 2004.