ECLI:NL:HR:2004:AO1310

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/085HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.B. Fleers
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt levensonderhoudsverplichting na hoger beroep in familierechtelijke zaak

In deze zaak stond de vraag centraal of de man gehouden was tot betaling van levensonderhoud aan de vrouw, zoals door het hof Arnhem bij eindarrest van 26 november 2002 was vastgesteld. De procedure kende een lange voorgeschiedenis met eerdere vernietigingen en verwijzingen door de Hoge Raad.

Het hof Arnhem had na diverse tussenarresten en bewijslevering de man veroordeeld tot betaling van levensonderhoud aan de vrouw met verschillende bedragen per maand, ingaande vanaf 1 januari 1997, met wettelijke indexering vanaf 2003. Tevens werd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten gecompenseerd.

De man stelde beroep in cassatie in tegen de arresten van het hof, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarmee werd het beroep van de man verworpen en bleef het arrest van het hof Arnhem in stand, waarmee de man gehouden bleef tot de opgelegde betalingen aan de vrouw.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen, het arrest van het hof Arnhem blijft in stand.

Uitspraak

19 maart 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/085HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen thans verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - en thans eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 20 november 1998 nr. 16718, (C97/197), NJ 1999, 86. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 maart 1997 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof te Arnhem.
Na verwijzing heeft het hof te Arnhem bij tussenarrest van 11 januari 2000 de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van de vrouw en bij tussenarrest van 19 september 2000 de man tot bewijslevering toegelaten. Na op 22 februari 2001 en 25 april 2001 gehouden getuigenverhoren heeft het hof bij tussenarrest van 27 november 2001 de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van de man en bij tussenarrest van 7 mei 2002 de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van de vrouw.
Tenslotte heeft het hof bij eindarrest van 26 november 2002, rechtdoende in het principaal en het incidenteel hoger beroep na verwijzing het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 mei 1995 voorzover aan zijn oordeel onderworpen en voorzover dit betreft de uitkering tot levensonderhoud ingaande 1 januari 1997 ten behoeve van de vrouw vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- de man veroordeeld aan de vrouw tot haar levensonderhoud te betalen ingaande
- 1 januari 1997 een bedrag van ƒ 1.512,-- per maand,
- 1 december 1997 een bedrag van ƒ 1.220,-- per maand, over 1998 tezamen ƒ 17.852,--/€ 8.100,88,
- 1 januari 1998 een bedrag van ƒ 1.120,-- per maand,
- 1 augustus 1998 een bedrag van ƒ 1.450,-- per maand, over 1998 tezamen ƒ 15.090,-- plus € 2.500,-- is in totaal € 9.347,54,
- 1 januari 1999 een bedrag van ƒ 1.533,-- per maand, over 1999 tezamen ƒ 18.396,-- plus € 2.500,-- is in totaal € 10.847,74,
- 1 januari 2000 een bedrag van ƒ 1.438,-- per maand en ingaande 1 november 2001 een bedrag van ƒ 1.408,-- per maand, tezamen over 2000 ƒ 17.196,-- plus € 2.500,-- is in totaal € 10.303,20,
- 1 januari 2001 een bedrag van ƒ 1.060,-- per maand plus € 2.500,-- is in totaal € 8.272,08,
- ingaande 1 januari 2002 een bedrag van € 900,-- per maand, welk laatste bedrag voor de eerste maal ingaande 1 januari 2003 zal worden vermeerderd met de wettelijke indexering;
- deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 mei 1995 voorzover aan het oordeel van dit hof onderworpen voor het overige bekrachtigd, en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
De arresten van 11 januari 2000, 19 september 2000, 27 november 2001, 7 mei 2002 en 26 november 2002 van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen de vijf vermelde arresten van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen vrouw is verstek verleend.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 maart 2004.