ECLI:NL:HR:2004:AN7826

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/274HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering in civiele zaak tussen ex-partners

De man heeft de vrouw gedagvaard en gevorderd dat zij een geldsom van ƒ 80.604,69 plus wettelijke rente en een bedrag van ƒ 15.000 voor buitengerechtelijke kosten aan hem zou betalen. De rechtbank verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn vordering. Hiertegen stelde de man hoger beroep in, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde.

Het gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de man ontvankelijk, maar wees zijn vorderingen af. De man stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De vrouw verzocht tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat de in cassatie aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en wijst het beroep af. De kosten van het cassatiegeding worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2004.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en zijn vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

30 januari 2004
Eerste Kamer
Nr. C02/274HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[de man], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[de vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploot van 14 januari 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd de vrouw te veroordelen aan de man te betalen de somma van ƒ 80.604,69, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede de somma van ƒ 15.000,-- terzake de kosten van (buitengerechtelijke) rechtsbijstand.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 10 oktober 2000 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 6 juni 2002 heeft het hof in het principaal en het incidenteel hoger beroep het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de man ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en voorts de vorderingen van de man afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 januari 2004.