ECLI:NL:HR:2004:AI0737
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek omzetting onderneming in BV voor belastingdoeleinden
Belanghebbende, die een detailhandel dreef als eenmanszaak, verzocht de Inspecteur om toepassing van artikel 18, lid 1, Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij de inbreng van haar onderneming in een besloten vennootschap. De Inspecteur wees dit verzoek af, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof oordeelde dat de verhuur van de onderneming aan een derde geen omzetting van een onderneming vormde zoals bedoeld in artikel 18 Wet Pro IB 1964.
Belanghebbende stelde in cassatie dat op het moment van de intentieverklaring nog onzeker was of de huurovereenkomst met de derde zou worden gesloten en dat het Hof ten onrechte de herinvesteringsplicht als bijkomstig had beoordeeld. De Hoge Raad overwoog dat deze feiten niet in cassatie kunnen worden onderzocht en dat het oordeel van het Hof over de herinvesteringsplicht geen onjuiste rechtsopvatting bevat.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat artikel 18 Wet Pro IB 1964 ziet op omzetting van een onderneming van een natuurlijke persoon naar een BV, waarbij ook wijzigingen in aard of omvang van de onderneming mogelijk zijn, mits de BV nog een onderneming drijft. Het Hof had terecht geoordeeld dat de BV geen onderneming dreef door verhuur aan een derde. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde niet in proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep bij het Hof afgewezen.