ECLI:NL:HR:2003:AM2313
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens tussentijds arrest volgens art. 401a Rv
In deze zaak vorderde verweerder betaling van een bedrag van ƒ 34.626,76 van eiser, die op zijn beurt een tegenvordering instelde tot ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding. Na diverse procedures en een tussenvonnis van de rechtbank werd een comparitie gelast. Tegen dit tussenvonnis stelde eiser hoger beroep in. Het hof liet bewijslevering toe en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor voortzetting van de procedure.
Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof van 27 februari 2002. Verweerder stelde primair niet-ontvankelijkheid van eiser in cassatieberoep en subsidiair verwerping van het beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser.
De Hoge Raad oordeelde dat het arrest van het hof een tussenarrest is en dat op grond van art. 401a lid 2 Rv cassatie tegen tussenarresten slechts tegelijk met het eindarrest kan worden ingesteld. Omdat dat niet het geval was, verklaarde de Hoge Raad eiser niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep en veroordeelde hem in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen het tussenarrest.