ECLI:NL:HR:2003:AM0241
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat voorschrift Aanwijzing opsporingsbevoegdheden niet strekt ter bescherming verdachte
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het hof had de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet en had de straf gematigd tot onbetaalde arbeid en een geldboete.
De verdachte stelde onder meer dat het hof ten onrechte had afgezien van het horen van getuigen en dat de resultaten van een doorzoeking moesten worden uitgesloten wegens schending van de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden. Het hof oordeelde dat de informatie uit het CIE-rapport voldoende aanleiding gaf voor de doorzoeking en dat eventuele mondelinge aanvullende informatie niet strekte ter bescherming van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het voorschrift uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, dat informatie van informanten uitsluitend via een proces-verbaal van het hoofd CIE aan derden mag worden verstrekt, niet bedoeld is om de belangen van de verdachte te beschermen. Het cassatieberoep faalde en werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.