Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AL9052

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00327/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 365a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring mishandeling vereist niet dat slachtoffer pijn ondervindt

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte was veroordeeld voor mishandeling door het duwen en schoppen van het slachtoffer. Het hof had in het verkorte arrest bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer had geduwd en geschopt, waarbij het slachtoffer ten val kwam. Een aanvulling op het arrest had een zin over het ondervinden van pijn door het slachtoffer doorgehaald, wat aanleiding gaf tot discussie over de bewezenverklaring.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet vrij is om in de aanvulling op het verkorte arrest onderdelen van de tenlastelegging alsnog bewezen te verklaren waarvan in het verkorte arrest is vrijgesproken. De bewezenverklaring moet worden beoordeeld zoals opgenomen in het verkorte arrest. De Hoge Raad bevestigde dat het begrip mishandeling ook een feitelijke betekenis heeft, waarbij het duwen en schoppen op zichzelf voldoende is om aan te nemen dat pijn of letsel is toegebracht.

Het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd werd verworpen, aangezien de bewezenverklaring en kwalificatie van mishandeling juist was. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden. Het beroep werd verworpen en de veroordeling van het hof bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat mishandeling bewezen kan zijn zonder expliciete vaststelling van pijn, en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

2 december 2003
Strafkamer
nr. 00327/03
AGJ/IV
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 juni 2002, nummer 21/001728-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 23 augustus 2001 - de verdachte ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, subsidiair zes dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het derde middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv de bewezenverklaring heeft gewijzigd.
3.2.1. Blijkens het verkorte arrest (bijlage III) heeft het Hof met betrekking tot het aan de verdachte tenlastgelegde feit bewezenverklaard dat:
"hij op 22 maart 2000 te [plaats] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), heeft geduwd (tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond viel) en op of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt."
3.2.2. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof het volgende overwogen:
"Door een kennelijke vergissing is in bijlage III van het arrest doorgestreept de zinsnede 'waardoor deze pijn heeft ondervonden'."
3.3. Het staat de rechter niet vrij in de aanvulling op het verkorte arrest alsnog onderdelen van de tenlastelegging bewezen te verklaren waarvan in het verkorte arrest is vrijgesproken. Bij de beoordeling van het onderhavige cassatieberoep moet derhalve worden uitgegaan van de bewezenverklaring die in het verkorte arrest is opgenomen (vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548). Mitsdien is het middel gegrond.
3.4. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. De bewezenverklaring zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven is blijkens de bestreden uitspraak gekwalificeerd als 'mishandeling' als bedoeld in art. 300 Sr Pro. Die kwalificatie getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu het begrip 'mishandeling' in zoverre ook een feitelijke betekenis heeft dat daarin ligt opgesloten dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of nadeel aan de gezondheid hebben veroorzaakt. Waar hier is bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk mishandelend een persoon heeft geduwd en tegen het lichaam heeft geschopt, is daarmee genoegzaam tot uitdrukking gebracht dat daardoor pijn is toegebracht (vgl. HR 21 oktober 1935, NJ 1936, 125).
4. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 2 december 2003.