ECLI:NL:HR:2003:AL9052
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Bewezenverklaring mishandeling vereist niet dat slachtoffer pijn ondervindt
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte was veroordeeld voor mishandeling door het duwen en schoppen van het slachtoffer. Het hof had in het verkorte arrest bewezen verklaard dat verdachte het slachtoffer had geduwd en geschopt, waarbij het slachtoffer ten val kwam. Een aanvulling op het arrest had een zin over het ondervinden van pijn door het slachtoffer doorgehaald, wat aanleiding gaf tot discussie over de bewezenverklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet vrij is om in de aanvulling op het verkorte arrest onderdelen van de tenlastelegging alsnog bewezen te verklaren waarvan in het verkorte arrest is vrijgesproken. De bewezenverklaring moet worden beoordeeld zoals opgenomen in het verkorte arrest. De Hoge Raad bevestigde dat het begrip mishandeling ook een feitelijke betekenis heeft, waarbij het duwen en schoppen op zichzelf voldoende is om aan te nemen dat pijn of letsel is toegebracht.
Het middel dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd werd verworpen, aangezien de bewezenverklaring en kwalificatie van mishandeling juist was. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden. Het beroep werd verworpen en de veroordeling van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat mishandeling bewezen kan zijn zonder expliciete vaststelling van pijn, en verwerpt het cassatieberoep.