ECLI:NL:HR:2003:AL8206

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
1384
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 LandinrichtingswetArt. 217 Landinrichtingswet
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring Landinrichtingscommissie in cassatieberoep wegens termijnoverschrijding

De Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling heeft cassatieberoep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank Groningen inzake bezwaar tegen een lijst van geldelijke regelingen op grond van de Landinrichtingswet.

De commissie heeft de vereiste verklaring afgelegd en de betekening van het cassatieberoep vond plaats, maar niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen na de verklaring. De betekening vond plaats op de vijftiende dag, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

De Advocaat-Generaal concludeerde eveneens tot niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en veroordeelde de Landinrichtingscommissie in de proceskosten.

De uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van termijnen bij cassatieprocedures op grond van de Landinrichtingswet.

Uitkomst: De Landinrichtingscommissie is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens overschrijding van de betekeningstermijn.

Uitspraak

Nr. 1384
31 oktober 2003
Za
in de zaak van
de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "[A]",
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen,
tegen
[Verweerder], als rechtsopvolger van de erven [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.
1. Het geding in cassatie
1.1. De Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "[A]" (hierna: de Landinrichtingscommissie) heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank te Groningen van 22 januari 2003, waarbij de Rechtbank op de voet van artikel 217, lid 1, van de Landinrichtingswet (hierna: de Wet) heeft beslist op een bezwaar tegen de lijst van geldelijke regelingen.
1.2. De Landinrichtingscommissie heeft de verklaring als bedoeld in artikel 182, lid 2, van de Wet afgelegd op 19 februari 2003.
1.3. De betekening als bedoeld in artikel 182, lid 3, van de Wet heeft plaatsgehad op 6 maart 2003.
1.4. [Verweerder] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Landinrichtingscommissie in haar beroep in cassatie.
1.5. Partijen hebben hun standpunt doen toelichten door hun advocaten.
1.6. De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 5 september 2003 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Landinrichtingscommissie in haar beroep in cassatie.
1.7. De advocaat van de Landinrichtingscommissie heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Ingevolge artikel 182, lid 3, van de Wet - hier van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 217, lid 2, van de Wet - dient de daarin omschreven betekening te geschieden binnen veertien dagen na de aflegging van de verklaring als bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Nu die betekening heeft plaatsgehad op de vijftiende dag na de aflegging van de evenbedoelde verklaring, dient de Landinrichtingscommissie niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep in cassatie.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de Landinrichtingscommissie niet-ontvankelijk in haar beroep in cassatie,
veroordeelt de Landinrichtingscommissie in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van [verweerder], tot op deze uitspraak begroot op € 316,33 aan verschotten en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer F.B. Bakels uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2003.