ECLI:NL:HR:2003:AL3529

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02717/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens ontbreken tijdige kennisgeving raadsman in hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin verdachte werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens bezit van een afbeelding met een seksuele gedraging waarbij een minderjarige betrokken was.

In eerste aanleg werd verdachte vrijgesproken, maar het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in. Tijdens de eerste terechtzitting in hoger beroep was de raadsman van verdachte aanwezig en voerde hij de verdediging, terwijl verdachte zelf niet verscheen. De zaak werd aangehouden met een bevel tot oproeping van verdachte en kennisgeving aan de raadsman.

Bij de terechtzitting van 26 juli 2002 was verdachte wederom niet aanwezig en was er geen raadsman aanwezig. Uit het dossier bleek dat de raadsman niet tijdig op de hoogte was gesteld van deze zitting, wat een vereiste is volgens artikel 51 tweede Pro volzin van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad oordeelt echter dat het cassatieberoep niet slaagt omdat de klacht hierover niet in cassatie is aangevoerd en er geen grond is voor ambtshalve vernietiging.

De Hoge Raad verwerpt daarom het beroep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de straf van vijf maanden gevangenisstraf.

Uitspraak

28 oktober 2003
Strafkamer
nr. 02717/02
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 augustus 2002, nummer 20/002963-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats] (Groot-Brittannië).
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2000 - de verdachte ter zake van "een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, invoeren en/of in voorraad hebben, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.H. van Alst, advocaat te Someren, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, en de zaak zal worden verwezen naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
3. Afwezigheid van de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep
3.1. De procesgang is de volgende geweest.
(i) In eerste aanleg is de zaak op 28 augustus 2000 behandeld door de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. De verdachte was niet verschenen. Als raadsman was ter terechtzitting aanwezig mr. F.H. van Alst, die verklaarde uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsman heeft aldaar het woord gevoerd aan de hand van aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotities. De Politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
(ii) De Officier van Justitie heeft hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 november 2001 heeft mr. F.H. van Alst het Hof kennis gegeven dat hij als raadsman van de verdachte zou optreden. De zaak is voor de eerste maal behandeld ter terechtzitting van het Hof van 11 januari 2002. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal was de verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen. Ter terechtzitting was aanwezig de raadsman van de verdachte, mr. Van Alst, die verklaarde uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte te verdedigen. De raadsman heeft aldaar het woord ter verdediging gevoerd. De behandeling van de zaak is toen voor onbepaalde tijd aangehouden, met bevel tot oproeping van de verdachte tegen de nog nader te bepalen terechtzitting en tot kennisgeving van die nadere terechtzitting aan de raadsman.
(iii) Ter terechtzitting van het Hof van 26 juli 2002 is de zaak wederom behandeld. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal houdt in dat de verdachte, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen. De oproeping van de verdachte om op die terechtzitting te verschijnen is op 24 mei 2002 uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. De desbetreffende brief is op 24 mei 2002 aangetekend verzonden aan het adres van de verdachte in het buitenland.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 juli 2002 houdt niets in omtrent de aanwezigheid van een raadsman. Op die terechtzitting is het onderzoek opnieuw aangevangen wegens de gewijzigde samenstelling van het Hof en is het onderzoek gesloten.
(iv) Namens de verdachte heeft mr. Van Alst beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
3.2. Uit de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt kan niet worden afgeleid dat aan mr. Van Alst tijdig is kennisgegeven van de terechtzitting in hoger beroep van 26 juli 2002 doordat hem een afschrift van de oproeping is verstrekt en evenmin dat de raadsman anderszins daarvan op de hoogte was.
3.3. De door mr. Van Alst in cassatie voorgestelde middelen bevatten evenwel niet de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of art. 51 tweede Pro volzin Sv is nageleefd en daarin wordt niet aangevoerd dat de raadsman van de verdachte in hoger beroep, mr. Van Alst, van de voorgenomen behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof van 26 juli 2002 niet tijdig op de hoogte is geweest.
Onder deze omstandigheden acht de Hoge Raad geen grond aanwezig de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
4. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 oktober 2003.