ECLI:NL:HR:2003:AK3456

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38655
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8b lid 2 onderdeel a sub 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aftrek verhuiskosten bij gezamenlijke huishouding van ondernemers

In deze zaak betrof het een geschil over de aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998. Belanghebbende kreeg een aanslag opgelegd op basis van een premie-inkomen van ƒ 90.139, welke na bezwaar werd verminderd tot ƒ 41.485. Tegen deze vermindering ging belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 8b, lid 2, onderdeel a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin een forfaitaire verhuiskostenaftrek is geregeld. Het Hof had geoordeeld dat wanneer twee ondernemers samen één huishouding vormen en gezamenlijk verhuizen, de aftrek van verhuiskosten gezamenlijk beperkt is tot het maximale bedrag van ƒ 12.000, en niet per ondernemer afzonderlijk kan worden toegepast.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg op basis van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. De wetgever beoogde de aftrek van verhuiskosten te beperken tot maximaal de kosten van de overbrenging van de inboedel plus ƒ 12.000. In situaties zoals deze, waarbij twee ondernemers samen verhuizen, geldt deze limiet gezamenlijk. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees geen proceskosten toe.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de forfaitaire verhuiskostenaftrek bij gezamenlijke huishouding van ondernemers gezamenlijk beperkt is tot maximaal ƒ 12.000.

Uitspraak

Nr. 38.655
12 september 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 6 september 2002, nr. BK-01/00126, betreffende na te melden aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 90.139, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een premie-inkomen van ƒ 41.485.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep
gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbend heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat in geval twee ondernemers samen één huishouding vormen, bij hun verhuizing de forfaitaire verhuiskostenaftrek bedoeld in artikel 8b, lid 2, aanhef en letter a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), niet in zijn geheel toekomt aan elk van de ondernemers.
3.2. De klacht die van een andere opvatting uitgaat, faalt.
Indien twee ondernemers gezamenlijk kosten maken, zal door hen in totaal niet meer dan het totaal van deze kosten ten laste van de winst worden gebracht. In de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel waarbij artikel 8b van de Wet is ingevoerd, is dit artikel als volgt toegelicht:
"De kosten en lasten ter zake van een verhuizing van de ondernemer worden, afgezien van transportkosten van de inboedel, in het tweede lid, onderdeel a, onder 1e, gemaximeerd op ƒ 12.000. De woorden "ten hoogste" geven aan dat eerst duidelijk moet zijn of, en zo ja, in hoeverre, van ter zake van een verhuizing aftrekbare kosten sprake is. Is eenmaal vastgesteld dat het dergelijke kosten betreft, dan zijn deze tot het plafond van ƒ 12.000 aftrekbaar" (Kamerstukken II 1988/89, 20 874, nr. 3. blz. 13).
Blijkens deze toelichting, die in de verdere behandeling van het wetsvoorstel niet is weersproken, was het de bedoeling van de wetgever de omvang van de bij een verhuizing in aanmerking te nemen kosten te beperken en wel tot maximaal de kosten van de overbrenging van de inboedel vermeerderd met f 12.000. Daarom is in een geval als het onderhavige, waarin twee - tot één huishouding behorende - ondernemers gezamenlijk verhuizen, de door hen in totaal in aanmerking te nemen aftrek tot vermeld maximum beperkt. De uitspraak van het Hof is mitsdien juist.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2003.