ECLI:NL:HR:2003:AK3456
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek verhuiskosten bij gezamenlijke huishouding van ondernemers
In deze zaak betrof het een geschil over de aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998. Belanghebbende kreeg een aanslag opgelegd op basis van een premie-inkomen van ƒ 90.139, welke na bezwaar werd verminderd tot ƒ 41.485. Tegen deze vermindering ging belanghebbende in beroep bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 8b, lid 2, onderdeel a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarin een forfaitaire verhuiskostenaftrek is geregeld. Het Hof had geoordeeld dat wanneer twee ondernemers samen één huishouding vormen en gezamenlijk verhuizen, de aftrek van verhuiskosten gezamenlijk beperkt is tot het maximale bedrag van ƒ 12.000, en niet per ondernemer afzonderlijk kan worden toegepast.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg op basis van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel. De wetgever beoogde de aftrek van verhuiskosten te beperken tot maximaal de kosten van de overbrenging van de inboedel plus ƒ 12.000. In situaties zoals deze, waarbij twee ondernemers samen verhuizen, geldt deze limiet gezamenlijk. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees geen proceskosten toe.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de forfaitaire verhuiskostenaftrek bij gezamenlijke huishouding van ondernemers gezamenlijk beperkt is tot maximaal ƒ 12.000.