Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AJ0501

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00182/03
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitieArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vrijspraak medeplichtigheid aan moord en veroordeelt voor wapendelicten

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor medeplichtigheid aan moord en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof Amsterdam sprak verdachte vrij van medeplichtigheid aan moord, maar veroordeelde hem tot vijf jaar gevangenisstraf voor het bezit en gebruik van een vuurwapen van categorie III.

De bewezenverklaring betrof dat verdachte gelegenheid had verschaft en behulpzaam was geweest bij het plegen van moord door een ander, door in de auto naast het slachtoffer plaats te nemen terwijl de moord werd voorbereid en uitgevoerd. Het hof oordeelde echter dat de bewijsvoering onvoldoende was om medeplichtigheid te bewijzen.

In cassatie stelde verdachte en de benadeelde partij verschillende middelen voor. De Hoge Raad verwierp deze middelen, onder meer omdat het hof kennelijk ten onrechte de woorden 'opzettelijk behulpzaam' had opgenomen in de bewezenverklaring, maar dit werd door de Hoge Raad gecorrigeerd. Ook werd geoordeeld dat de plaats van de medeplichtigheidshandelingen zowel de locatie van de handelingen als de plaats van het misdrijf omvatte.

De Hoge Raad oordeelde dat geen van de middelen tot cassatie kon leiden en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Het beroep werd verworpen en de veroordeling voor wapendelicten bleef in stand.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak medeplichtigheid aan moord en veroordeelt verdachte tot vijf jaar gevangenisstraf voor wapendelicten.

Uitspraak

14 oktober 2003
Strafkamer
nr. 00182/03
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 oktober 2002, nummer 23/001721-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te
[woonplaats], ten tijde van betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 26 april 2002 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplichtigheid aan moord" en 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid (oud) van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen en munitie van categorie III, strafbaar gesteld bij art. 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade afgewezen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ter zake van materiële schade.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat een tweetal klachten die zich richten tegen de bewezenverklaring ter zake van feit 1 subsidiair.
4.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
"[betrokkene 1] op 5 mei 1999 te [plaats] opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon, te weten [betrokkene 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft die [betrokkene 1] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels op die [betrokkene 2] afgeschoten, tengevolge waarvan voornoemde [betrokkene 2] zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar die [betrokkene 1] opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door nadat en/of terwijl die [betrokkene 2] door die [betrokkene 1] een vuurwapen werd getoond en door die [betrokkene 1] tegen die [betrokkene 2] was gezegd dat hij zou worden doodgemaakt, (de Hoge Raad leest:) te zeggen dat hij, verdachte, er was om de "ass" van die [betrokkene 2] te redden, plaats te nemen en te blijven zitten achter in die auto naast [betrokkene 2], terwijl die auto door die [betrokkene 1] werd bestuurd."
4.3. De eerste klacht van het middel behelst dat de bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte bij het plegen van het misdrijf behulpzaam is geweest doch dat dit uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet valt af te leiden.
4.4. Het Hof heeft kennelijk bij vergissing, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, de woorden "en opzettelijk behulpzaam is geweest" in de bewezenverklaring opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met verbetering van die misslag. De klacht mist daarom feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4.5. De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het bewezenverklaarde 'aldaar', waarmee wordt verwezen naar [plaats], zou hebben plaatsgevonden, nu in de bewijsmiddelen immers steeds "[plaats]" als plaats van handeling genoemd wordt.
4.6. Het middel miskent dat als plaats waar de in de bewezenverklaring omschreven medeplichtigheidshandelingen hebben plaatsgehad, niet alleen geldt die waar die handelingen werden verricht, maar ook die waar het misdrijf werd gepleegd waarop die medeplichtigheidshandelingen betrekking hadden, te weten [plaats] (vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997, 628).
4.7. Nu deze klacht faalt is het middel derhalve tevergeefs voorgesteld.
5. Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op
14 oktober 2003.