ECLI:NL:HR:2003:AI0856

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/085HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 144 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating pleidooi in hoger beroep bij geschil over functie-indeling

Eiser vorderde bij de kantonrechter dat hij ten onrechte niet was ingedeeld in de functie van Opvangmedewerker B bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). De kantonrechter wees de vordering toe, maar de rechtbank vernietigde dit vonnis in hoger beroep en wees de vordering af. Eiser verzocht om pleidooi in hoger beroep, maar dit verzoek werd door de rolrechter afgewezen met de motivering dat een mondelinge toelichting geen nieuwe gezichtspunten zou opleveren en het geding al lang liep.

De Hoge Raad stelde vast dat partijen op grond van art. 144 Rv Pro in beginsel het recht hebben hun standpunten in hoger beroep bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om pleidooi mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden geweigerd, en dan moet dit goed gemotiveerd zijn. Nu COA geen bezwaar maakte tegen het pleidooi en de rolrechter onvoldoende motivering gaf voor de afwijzing, oordeelde de Hoge Raad dat het verzoek ten onrechte was geweigerd.

De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling waarbij partijen tot pleidooi moeten worden toegelaten. De beslissing over de kosten van het cassatiegeding werd gereserveerd.

Uitkomst: Het verzoek om pleidooi in hoger beroep werd ten onrechte afgewezen; de zaak wordt terugverwezen met opdracht tot toelating van pleidooi.

Uitspraak

3 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/085HR
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.F. Baltussen,
t e g e n
HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Rijswijk,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 22 juli 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: COA - gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd voor recht te verklaren dat [eiser] ten onrechte niet is ingedeeld in de door hem voorgestane functie van Opvangmedewerker B, schaal 6.
COA heeft de vordering bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 7 juni 2000 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft COA hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage.
In hoger beroep is namens [eiser] pleidooi verzocht. Bij brief van 19 juli 2001 heeft de raadsvrouwe van [eiser] dit verzoek nader gemotiveerd.
Bij beslissing van 7 augustus 2001 heeft de rolrechter het verzoek om pleidooi afgewezen, een datum voor het wijzen van een vonnis bepaald en voorts bepaald, dat tegen deze uitspraak eerst nadat eindvonnis in deze procedure is gewezen beroep in cassatie kan worden ingesteld.
Bij eindvonnis van 19 december 2001 heeft de rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw beslissende, de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.
Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen het niet verschenen COA is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de advocaat-generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging en verwijzing van de zaak.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie is uitsluitend aan de orde de vraag of de rechtbank [eiser] tot pleidooi had moeten toelaten. Namens [eiser] is in hoger beroep om pleidooi verzocht. Bij beslissing van 7 augustus 2001 is dit verzoek afgewezen omdat het pleidooiverzoek naar het oordeel van de rolrechter niet strookte met de goede procesorde. Daartoe heeft de rolrechter overwogen enerzijds dat niet valt te verwachten dat een mondelinge toelichting bij gelegenheid van het pleidooi nieuwe gezichtspunten zal opleveren en anderzijds dat de inleidende dagvaarding dateert van 22 juli 1999.
3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat partijen op grond van het bepaalde in art. 144 (oud) Rv. ook in hoger beroep in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten. Een verzoek om de zaak te mogen bepleiten zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde (zie HR 15 november 2002, nr. C02/052, RvdW 2002, 185). In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter zijn redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (zie HR 5 oktober 2001, nr. C00/248, NJ 2002, 514).
3.3 Nu van de zijde van COA tegen het verzoek van [eiser] om pleidooi in het geheel geen bezwaar is gemaakt en ook hetgeen de rolrechter in zijn beslissing van 7 augustus 2001 heeft overwogen ter zake van dat verzoek niet de conclusie kan dragen dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde, is het middel terecht voorgesteld. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen zal partijen tot pleidooi moeten toelaten.
3.4 Nu COA de bestreden beslissingen van de rolrechter c.q. de rechtbank niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de vonnissen van de rechtbank te 's-Gravenhage van 7 augustus 2001 en 19 december 2001;
verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] op € 388,75 aan verschotten en € 500,-- voor salaris, en aan de zijde van COA op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 oktober 2003.