ECLI:NL:HR:2003:AI0287

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/135HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing van huurovereenkomst ontbinding en huurprijsvordering

Eiser vorderde bij de kantonrechter ontbinding van een huurovereenkomst met ontruiming van het gehuurde, dan wel gedeeltelijke ontbinding en naleving van de bestemming van bepaalde gedeelten van het pand. Verweerder bestreed deze vorderingen en stelde in reconventie een huurprijsvordering en herstel van gebreken.

De kantonrechter wees de vorderingen in conventie af, gelastte een descente en hield verdere beslissing aan. In hoger beroep bij de rechtbank werd de vermeerdering van eis door eiser toegestaan, waarna na enquête het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en de zaak terugverwezen voor verdere afdoening. De gewijzigde vordering werd afgewezen.

Eiser stelde beroep in cassatie tegen de vonnissen van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en wees het beroep af. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere afwijzing van de ontbinding en huurprijsaanpassing, en veroordeelde eiser in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de eerdere vonnissen worden bekrachtigd.

Uitspraak

3 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/135HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 14 april 1997 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en - verkort weergegeven - gevorderd:
primair: de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bij [verweerder] in gebruik zijnde gedeelten van het perceel [adres] te [woonplaats] te ontbinden met veroordeling van [verweerder] om die gedeelten van het perceel te ontruimen;
subsidiair: de onderhavige huurovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden, in dier voege dat deze overeenkomst nog slechts betrekking heeft op de eerste bovenwoning, alsmede [verweerder] te veroordelen tot ontruiming van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond en kelderruimte, en
meer subsidiair: [verweerder] te gebieden om de perceelsgedeelten, zijnde de begane grond alsook de kelderruimte van bovengenoemd pand te gebruiken conform de tussen partijen overeengekomen bestemming, zulks op verbeurte van een dadelijk opeisbare dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat
I. de betalingsverplichting van [verweerder] vanwege het enkele gebruik van de zaak [adres]-huis met eerste verdieping ƒ 671,42 per maand bedraagt ingaande 1 oktober 1994, en
II. de in de conclusie vermelde gebreken binnen 4 weken na het in deze te wijzen vonnis worden opgeheven naar eisen van goed vakmanschap op straffe van een dwangsom van ƒ 100,-- per dag met een maximum van ƒ 25.000,--.
[Eiser] heeft in reconventie de vorderingen bestreden.
De kantonrechter heeft bij vonnis van 8 oktober 1998 in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie een descente gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit in conventie gewezen vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft hij zijn eis vermeerderd met onder meer een nog meer subsidiaire vordering tot verklaring voor recht dat de huurprijs van ƒ 671,42 slechts betrekking heeft op het gedeelte van het gehuurde dat wordt gebruikt als woonruimte en tot vaststelling voor de overige perceelsgedeelten van een in goede justitie te bepalen huurprijs.
[Verweerder] heeft zich tegen de vermeerdering van eis verzet.
Bij rolbeschikking van 30 juni 1999 heeft de rechtbank het verzet tegen de vermeerdering van eis ongegrond verklaard.
Bij tussenvonnis van 12 januari 2000 heeft de rechtbank [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 19 december 2001 het op 8 oktober 1998 tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Amsterdam bekrachtigd, de zaak naar die kantonrechter terugverwezen ter verdere afdoening, en de in hoger beroep gewijzigde vordering afgewezen.
Beide vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatie-dagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de advocaat-generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 3 oktober 2003.