[Betrokkene 1], wonende te [woonplaats] - verder te noemen: [betrokkene 1] - heeft bij exploit van 16 april 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover de wet dit toelaat, te beslissen tot:
schriftelijke vaststelling van de huurkoopovereenkomst met ingang van 1 januari 1994 betreffende de onroerende zaak zoals bedoeld in de tot deze dagvaarding behorende conceptovereenkomst en conform deze conceptovereenkomst, met dien verstande dat het daarin genoemde maandelijks te betalen bedrag zal zijn gesplitst in een rentedeel en een deel dat bestemd is voor aflossing van de huurkoopsom, conform de berekening daarvan door een door de Rechtbank te benoemen deskundige, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure inclusief de kosten van beslaglegging en de kosten van inschrijving van deze rechtsvordering in de openbare registers bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van boek 3 BW.
[Eiser] heeft een incidentele conclusie, houdende beroep op onbevoegdheid genomen en gevorderd dat de Rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van het onderwerpelijke geschil kennis te nemen met veroordeling van [betrokkene 1] in de kosten van dit geding.
[Betrokkene 1] heeft de incidentele vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 november 1997 de incidentele vordering afgewezen en de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.
[Eiser] heeft in conventie de vordering bestreden en voorwaardelijk in reconventie gevorderd de huurkoopovereenkomst te ontbinden op grond van art. 11 Tijdelijke wet huurkoop per vroegst mogelijke datum en voorts in dat geval de huurkoper te veroordelen tot ontruiming van het pand aan de [a-straat 1] te [woonplaats] met medeneming van al de hunnen en het hunne, binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis en zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag voor elke dag dat zij weigerachtig zal zijn het pand na betekening te ontruimen.
[Betrokkene 1] heeft bij conclusie van repliek haar eis aangevuld met een subsidiaire vordering, inhoudende dat wanneer schriftelijke vastlegging door de Rechtbank van de tussen partijen gesloten overeenkomst van huurkoop, conform de aan de dagvaarding gehechte conceptovereenkomst, in strijd zou zijn met de wet, de Rechtbank de inhoud en de wijze van vaststelling daarmee in overeenstemming brengt. In reconventie heeft [betrokkene 1] de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 juli 1998 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 6 januari 1999 [betrokkene 1] tot bewijslevering toegelaten.
Door het faillissement van [betrokkene 1] heeft thans verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - de procedure van [betrokkene 1] overgenomen.
Na enquête heeft [eiser] in reconventie zijn eis vermeerderd met een vordering tot veroordeling van de curator tot betaling - uitvoerbaar bij voorraad - van een bedrag van 4 x ƒ 1.855,80 = ƒ 7.423,20 plus 15% incassokosten ten bedrage van ƒ 1.134,48, derhalve in totaal ƒ 8.536,68, te vermeerderen met ƒ 1.855,80 per maand ingaande 1 mei 1999 tot aan de dag van ontbinding van de huurkoopovereenkomst, kosten rechtens.
De curator heeft de vermeerderde vordering in reconventie bestreden.
Nadat de Rechtbank bij tussenvonnis van 9 juni 1999 de zaak naar de rol had verwezen voor uitlating door partijen over de splitsing van de aanbetaling en de maandtermijnen in een aflossingsdeel en een rentedeel, heeft de curator zijn eis in conventie aldus vermeerderd, dat indien de overeenkomst tussen partijen wordt ontbonden, de Rechtbank zal bepalen dat ingevolge art. 11 lid 3 Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken aan [betrokkene 1] dan wel de curator moet worden gerestitueerd een bedrag van ƒ 22.500,--, alsmede ƒ 104.063,40 (zijnde 60 x ƒ 1.734,39) althans een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, almede tot verklaring voor recht dat [eiser] geen schade heeft geleden noch zal lijden indien de huurkoopovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden.
Bij eindvonnis van 6 oktober 1999 heeft de Rechtbank:
In conventie:
- vastgesteld dat tussen partijen een huur- koopovereenkomst is aangegaan betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [C] sectie [b] nr. [0001], bestaande uit een bedrijfsgedeelte op de begane grond/kelder/eerste etage en daarboven gelegen woonruimten, met een koopprijs van ƒ 253.976,85 waarop een aanbetaling is gedaan van ƒ 22.500,--, terwijl met ingang van 1 januari 1994 240 gelijke maandelijkse huurkooptermijnen van ƒ 1.855,40 moeten worden voldaan;
- opgemelde huurkoopovereenkomst met ingang van 1 november 1999 ontbonden onder de verplichting van [eiser] om aan [betrokkene 1] te betalen een bedrag van ƒ 71.456,07;
In reconventie:
- [betrokkene 1] veroordeeld de onroerende zaak met de haren en al hetgeen van haar is te hebben ontruimd uiterlijk 1 november 1999, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,-- voor iedere dag gedurende welke de onroerende zaak na 1 november 1999 niet door haar ontruimd zal zijn;
In conventie en in reconventie:
- dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.