ECLI:NL:HR:2003:AH8798

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38063
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.C. van Oven
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en verwijst zaak terug

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van ƒ 1428, die na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Arnhem, dat de aanslag bevestigde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte aannam dat de door de Inspecteur geponeerde stellingen juist waren, enkel omdat belanghebbende niet bij de mondelinge behandeling was verschenen om deze te weerleggen. Dit was in strijd met eerdere jurisprudentie en rechtspraak.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof Arnhem en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd bepaald dat de Staat het griffierecht van belanghebbende voor het cassatieberoep moet vergoeden.

De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en liet het aan het verwijzingshof over om te beslissen over eventuele kostenvergoedingen voor het geding bij het Hof.

Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 38.063
27 juni 2003
cl
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 februari 2002, nr. 99/00390, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 1428, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De eerste klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. rechtsoverweging 4.2 van HR 25 maart 1998, nr. 30438, BNB 1998/209).
3.2. De tweede klacht slaagt. Het Hof mocht niet op de enkele grond dat belanghebbende niet bij de mondelinge behandeling van de zaak is verschenen en de door de Inspecteur in diens conclusie van dupliek geponeerde stellingen derhalve niet heeft weersproken, de juistheid van die stellingen aannemen (vgl. HR 23 maart 1988, nr. 24647, BNB 1988/151). Nu het Hof zulks wel heeft gedaan, en die stellingen aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 72.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer als voorzitter L. Monné, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2003.