ECLI:NL:HR:2003:AH8796

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie inzake aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van een in Duitsland woonachtige belanghebbende

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van een in Duitsland woonachtige belanghebbende, X, tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2001. De zaak betreft een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, waarbij de belanghebbende een belastbaar inkomen van ƒ 69.412 en een maximum premie-inkomen van ƒ 45.325 was opgelegd. Na bezwaar tegen de aanslag, heeft de Inspecteur deze gehandhaafd, waarna de belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak en verlaagde de aanslag. De uitspraak van het Hof is aan het arrest gehecht. De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend tegen het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van de belanghebbende beoordeeld. De belanghebbende, geboren in 1936, was in 1991 gehuwd met een ingezetene van Nederland en verhuisde in 1994 naar Nederland, waar zij zich inschreef in de basisadministratie. In 1998 is zij geremigreerd naar Duitsland. Tijdens haar verblijf in Nederland had zij geen beroepswerkzaamheden en ontving zij een pensioenuitkering van een Duitse staatsinstelling. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de belanghebbende niet gegrond zijn, met name omdat de voorzieningen waarop zij aanspraak maakt, niet onder de toepasselijkheid van de Europese regelgeving vallen. De Hoge Raad concludeert dat de belanghebbende in 1996 niet vrijgesteld was van de verzekeringsplicht voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

De Hoge Raad heeft het beroep ongegrond verklaard en geen termen aanwezig geacht voor een veroordeling in de proceskosten. Dit arrest is uitgesproken op 27 juni 2003 door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski.

Uitspraak

Nr. 37896
27 juni 2003
IR
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Duitsland) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 maart 2001, nr. P98/5088, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 69.412 wat betreft de inkomstenbelasting en naar het maximum premie-inkomen van ƒ 45.325 wat betreft de premie volksverzekeringen. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot de heffing van inkomstenbelasting en de heffing van premies ingevolge de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de laatste berekend naar het maximum premie-inkomen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende, geboren in 1936, is in 1991, toen zij nog in R (Duitsland) woonde, gehuwd met X-Y, een ingezetene van Nederland. Zij is in 1994 naar Nederland verhuisd en heeft zich op 10 mei 1994 als inwoonster laten inschrijven in de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Q. Op 18 maart 1998 is zij geremigreerd naar Duitsland. Belanghebbende verrichtte tijdens haar verblijf in Nederland geen beroepswerkzaamheden.
3.1.2. Belanghebbende heeft van 1 december 1963 tot 1 april 1993 in dienstbetrekking gewerkt bij F, destijds een Duitse staatsinstelling. Zij is vanwege haar arbeidsongeschiktheid vervroegd met pensioen gegaan. In 1996 genoot zij een pensioenuitkering (hierna: Ruhegeld) van omgerekend ƒ 70.009 van G A.G., de geprivatiseerde rechtsopvolgster van F. Daarop zijn Lohnsteur en bijdragen voor de Postbeamtenkrankenkasse ingehouden. Zij was gerechtigd tot het Ruhegeld ingevolge het Beamtenversorgungsgesetz. Haar sociale voorzieningen als voormalig ambtenaar van F tot op de dag van haar overlijden zijn in deze wet geregeld. Overigens genoot zij in 1996 geen inkomen.
3.2. Voorzover de klachten ervan uitgaan dat het Beamtenversorgungsgezetz, waarin de voorzieningen zijn geregeld waarop belanghebbende als gepensioneerd Duits ambtenaar aanspraak heeft, is aan te merken als een wettelijke regeling waarop van toepassing is Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 (tekst 1996; hierna: Vo. 1408/71), falen zij, daar op de gronden welke het Hof heeft vermeld in onderdeel 5.2 van zijn uitspraak, redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat het tegendeel het geval is.
3.3. Uit het hiervóór in 3.2 overwogene vloeit tevens voort dat belanghebbende in 1996 niet op grond van artikel 23, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 van 3 mei 1989, Stb. 164, was vrijgesteld van verzekeringsplicht voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Ingevolge die bepaling is niet verzekerd voor de AWBZ, kort samengevat, de ingezetene die krachtens de wetgeving van een andere EG-Lidstaat recht heeft op medische zorg. De in die bepaling gebezigde term 'wetgeving van een andere lidstaat' ziet op wetgeving waarop Vo 1408/71 van toepassing is (vgl. HR 6 juni 2001, nr. 36000, BNB 2001/304).
3.4. De klachten falen ook voor het overige. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2003.