ECLI:NL:HR:2003:AG3596

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00333/03 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22, tweede lid, SvArt. 81 ROArt. 124, vijfde lid, SvArt. 552p, tweede lid, Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beschikking inzake verstrekking gegevensdragers aan buitenlandse autoriteiten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 3 februari 2003, waarin verlof werd verleend aan de Rechter-Commissaris om kopieën van gegevensdragers over te dragen aan de Britse politieautoriteiten. De betrokkene, destijds gedetineerd, stelde het beroep in cassatie.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd zonder nadere motivering verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over de beslissing om de behandeling met gesloten deuren te doen plaatsvinden zonder dat de aanwezige parketpolitie de zaal verliet.

De Hoge Raad oordeelde dat het bevel tot behandeling met gesloten deuren niet meebrengt dat de parketpolitie de zaal moet verlaten, omdat zij belast zijn met de dienst der gerechten en onder aanwijzingen van de voorzitter staan. Tevens werd geoordeeld dat klachten over het handhaven van orde door de voorzitter niet tot cassatie leiden. Gezien het ontbreken van gronden tot vernietiging werd het beroep verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de Rechtbank Breda blijft in stand.

Uitspraak

16 september 2003
Strafkamer
nr. 00333/03 B
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 3 februari 2003, nummer RK 02/1196, naar aanleiding van een door de Officier van Justitie gevraagd verlof als bedoeld in artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1956, ten tijde van de bestreden beschikking gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vossenveld/Unit 1 EBI" te Vught.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft verlof verleend aan de Rechter-Commissaris om kopieën van gegevensdragers ter beschikking te stellen aan de Officier van Justitie te Arnhem, tevens plaatsvervangend Officier van Justitie in het arrondissement Breda, tot overdracht van die gegevensdragers aan de politiële autoriteiten in Groot-Brittannië, zoals omschreven in het verzoek van 10 december 2002.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel klaagt erover dat de Rechtbank aan haar beslissing de behandeling met gesloten deuren te doen plaatsvinden niet de consequentie heeft verbonden dat de aanwezige parketpolitie de zaal diende te verlaten.
4.2. Voorzover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat een bevel tot behandeling met gesloten deuren als bedoeld in het te dezen toepasselijke art. 22, tweede lid, Sv meebrengt dat de aanwezige ambtenaren van de parketpolitie - die op de voet van art. 124, vijfde lid, Sv zijn belast met de dienst der gerechten en die daarbij de aanwijzingen in acht dienen te nemen die hun, kort gezegd, door de voorzitter worden verstrekt - de zaal waar de behandeling plaatsvindt zouden moeten verlaten, faalt het. Dat standpunt vindt geen steun in het recht.
4.3. Voorzover het middel erover beoogt te klagen dat de Voorzitter van de Raadkamer op onjuiste wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden tot het handhaven van de orde, kan het evenmin tot cassatie leiden, nu de klacht een handeling betreft waartegen beroep in cassatie niet openstaat.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2003.