ECLI:NL:HR:2003:AF8575
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onaanvaardbaarheid nakoming optieovereenkomst aandelen nalatenschap
De zaak betreft een geschil over de uitoefening van een optieovereenkomst die de moeder van partijen aan haar zoon had verleend op een pakket aandelen uit de nalatenschap. De moeder had bij brief van 15 december 1995 aan haar zoon een optie gegeven om binnen vijf jaar koerswinst op een aandelenpakket te verzilveren. De zoon oefende deze optie uit, maar de moeder verklaarde later dat het nooit haar bedoeling was geweest dat hij een groot deel van de aandelen zou verkrijgen.
De rechtbank wees de vordering van de zoon af en het hof bekrachtigde dit oordeel. Het hof overwoog dat de moeder steeds had gestreefd naar een gelijke bevoordeling van haar drie kinderen en dat de zoon een redelijke vergoeding voor zijn beheerswerkzaamheden moest ontvangen, in overleg met zijn broers en zussen. Het hof vond het onaanvaardbaar dat de zoon nakoming van de optieovereenkomst kon vorderen, omdat dit in strijd was met de bedoeling van de moeder en de belangen van de andere erfgenamen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van de zoon. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de uitoefening van het recht op nakoming van de optieovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De Hoge Raad benadrukte dat de moeder een gelijke behandeling van haar kinderen nastreefde en dat de zoon niet had mogen verwachten dat hij een groot deel van de aandelen zou verkrijgen zonder overleg met de andere erfgenamen.
De Hoge Raad wees ook de klachten van de zoon over de motivering en het procesverloop af en bevestigde dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom nakoming niet toewijsbaar was. Het incidenteel cassatieberoep van de verweerders werd niet ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 26 september 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat nakoming van de optieovereenkomst onaanvaardbaar is en wijst het cassatieberoep af.