ECLI:NL:HR:2003:AF8484

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38051
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 35 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afkoop canon en erfpachtsrecht in inkomstenbelasting 1998

Belanghebbende heeft voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen op een belastbaar inkomen van ƒ 57.701. Na bezwaar is deze aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betreft de afkoop van een jaarlijkse canon van ƒ 16.410 door belanghebbende, welke betaling volgens het Hof niet kwalificeert als een periodieke betaling in de zin van artikel 42a, lid 1, juncto artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, waarbij ook werd opgemerkt dat het feit dat belanghebbende direct na de afkoop de eigendom van de grond verwierf, niet relevant is voor de kwalificatie van de betaling.

De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Hof gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.051
9 mei 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 januari 2002, nr. BK-00/02769, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.701, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
Bij akte van 26 maart 1998 heeft belanghebbende door het betalen van een bedrag van ƒ 16.410 zijn verplichting tot het betalen van een jaarlijkse canon afgekocht. Het Hof heeft geoordeeld dat de betaling van ƒ 16.410 niet een periodieke betaling ingevolge een erfpachtsrecht is in de zin van artikel 42a, lid 1, juncto artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Dat oordeel is juist. In dit verband is niet van belang dat belanghebbende, direct aansluitend aan de afkoop van de canon, tevens de eigendom van de grond verworven heeft. De tegen dit oordeel van het Hof gerichte klacht faalt mitsdien.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2003.