ECLI:NL:HR:2003:AF8362

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/056HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 FaillissementswetArt. 50 RvArt. 52 RvArt. 54 RvArt. 99 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over nietigheid cassatiedagvaarding in faillissementen en herstelmogelijkheid

In deze zaak stond centraal de vraag of een cassatiedagvaarding die niet op de voorgeschreven wijze is betekend aan failliete besloten vennootschappen, rechtsgeldig is. Eiser, tevens directeur/aandeelhouder van een gefailleerde B.V., had cassatie ingesteld tegen twee failliete B.V.'s. De dagvaarding was echter niet betekend aan de B.V.'s zelf, maar aan hun curator.

De Hoge Raad stelde vast dat volgens art. 50 Rv Pro. de betekening aan de gefailleerde rechtspersoon zelf moet plaatsvinden en dat betekening aan de curator niet voldoet, waardoor het exploot nietig is. Desondanks achtte de Hoge Raad aannemelijk dat de dagvaarding de B.V.'s heeft bereikt, mede gelet op de faillissementswetgeving.

Op grond van art. 121 lid 2 Rv Pro. gaf de Hoge Raad eiser de gelegenheid het gebrek te herstellen door de dagvaarding alsnog op de juiste wijze te betekenen. De zaak werd verwezen naar een nieuwe rolzitting, waarbij eiser de kosten van de betekening en aanzegging moest dragen.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening in faillissementsprocedures en biedt ruimte voor herstel bij formele fouten, mits de verweerders de dagvaarding daadwerkelijk hebben ontvangen.

Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de cassatiedagvaarding nietig is wegens onjuiste betekening, maar geeft eiser de mogelijkheid dit te herstellen.

Uitspraak

9 mei 2003
Eerste Kamer
Nr. C03/056HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], voor zich alsmede in zijn hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van de gefaillieerde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V.,
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. G.M.L. BEHEER B.V., voorheen G.M.L. Holding B.V.,
gevestigd te Heerlen, en
2. GLASMIJ B.V., voorheen Glasmaatschappij [B] B.V.,
gevestigd te Heerlen,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in cassatie
Bij exploot van 3 januari 2003 heeft eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - aan verweersters in cassatie aangezegd dat hij beroep in cassatie instelt tegen het op 18 december 2002 onder rolnr. 185029 tussen hem en verweersters in cassatie gewezen vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage en verweersters in cassatie gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 14 februari 2003. [Eiser] heeft dit exploot ten kantore van mr. F.W. Udo, curator in de faillissementen van verweersters in cassatie, doen betekenen.
[Eiser] heeft de zaak op de rol van 14 februari 2003 doen inschrijven.
Verweersters in cassatie zijn niet verschenen. [Eiser] heeft gevraagd verstek te verlenen tegen verweersters in cassatie.
Ter rolzitting van de Hoge Raad van 14 maart 2003 heeft de Advocaat-Generaal mondeling geconcludeerd tot aanhouding van de zaak voor uitlating aan de zijde van [eiser] over de wijze van dagvaarding van verweersters in cassatie conform art. 50 Rv Pro. in plaats van art. 52 Rv Pro.
Nadat de zaak hiertoe was aangehouden, heeft de advocaat van [eiser] op 25 maart 2003 een "akte uitlating domiciliekeuze gedaagden" overgelegd.
De Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper heeft bij schriftelijke conclusie van 28 maart 2003 geconcludeerd dat de Hoge Raad het gevraagde verstek zal weigeren en zal verstaan dat de instantie geëindigd is.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 april 2003 op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het verzoek om verstekverlening
2.1 Verweersters in cassatie (verder ook: de B.V.'s) zijn failliet verklaard: verweerster in cassatie onder 1 op 19 december 1991, verweerster in cassatie onder 2 op 21 november 1991. In beide faillissementen is mr. F.W. Udo als curator benoemd. Blijkens de door de advocaat van [eiser] op 25 maart 2003 verstrekte informatie waren beide faillissementen toen nog niet beëindigd. De vordering in feitelijke aanleg en ook het cassatieberoep is niet gericht tegen mr. Udo in zijn hoedanigheid van curator, maar tegen de gefailleerde B.V.'s zelf.
2.2 Het exploot van de cassatiedagvaarding is niet, zoals hier vereist, betekend op de wijze voorgeschreven in art. 50 Rv Pro., maar aan de curator in de faillissementen van de B.V.'s. Ingevolge het bepaalde in art. 120 lid 1 Rv Pro. is het exploot van de cassatiedagvaarding derhalve nietig. Nu het exploot evenwel is betekend aan de curator in de faillissementen van de B.V.'s, is, mede gelet op het bepaalde in de art. 14 en Pro 99 F., aannemelijk dat dit exploot de B.V.'s heeft bereikt.
2.3 De Hoge Raad zal derhalve op de voet van art. 121 lid 2 Rv Pro. [eiser] in de gelegenheid stellen het in 2.2 vermelde gebrek te herstellen.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 11 juli 2003;
beveelt [eiser] de cassatiedagvaarding bij herstelexploot te doen betekenen aan de B.V.'s op de wijze voorgeschreven in art. 50 of Pro 54 Rv., met aanzegging van de hiervoor vermelde rechtsdag;
bepaalt dat de kosten van deze betekening en aanzegging ten laste komen van [eiser].
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 mei 2003.