ECLI:NL:HR:2003:AF8270
Hoge Raad
- Cassatie
- G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid en causale verband bij vertraagde diagnose posttraumatische dystrofie
De zaak betreft een civielrechtelijke procedure waarin eiser schadevergoeding vordert wegens het niet tijdig onderkennen van een posttraumatische dystrofie (Südeckse dystrofie) door verweerder, een chirurg werkzaam in een ziekenhuis. Eiser stelt dat het vertraagd stellen van de diagnose en het niet tijdig verwijzen naar een anesthesioloog heeft geleid tot blijvend functieverlies van zijn been, waarvoor hij schadevergoeding verlangt.
De rechtbank wees de vordering af wegens het ontbreken van causaal verband tussen de vertraging en de schade. Het hof Arnhem bevestigde dit oordeel, maar erkende dat aansprakelijkheid voor de vertraging bestond. De brief van de verzekeraar uit 1992 werd gezien als erkenning van aansprakelijkheid, maar niet van het causale verband.
De Hoge Raad oordeelt dat de erkenning van aansprakelijkheid ook betrekking heeft op de schade voortvloeiende uit het functieverlies, en dat eiser de brief van 7 juli 1992 gerechtvaardigd mocht interpreteren als een volledige erkenning van aansprakelijkheid inclusief het causale verband. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld en wordt daarom vernietigd. De zaak wordt verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
De Hoge Raad verwerpt het incidentele beroep van verweerders dat de erkenning van aansprakelijkheid op grond van dwaling zou moeten worden teruggedraaid. De kennelijke onjuistheid van het aanvankelijke medische oordeel blijft voor rekening van verweerders. De kosten van het cassatiegeding worden aan verweerders opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.