ECLI:NL:HR:2003:AF7310
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen uitleveringsuitspraak Italië
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 december 2002, waarin de uitlevering van een persoon aan Italië werd toegestaan.
De verdediging voerde aan dat het bewijs, met name afgeluisterde telefoongesprekken in Nederland, onrechtmatig was verkregen zonder wettelijke grondslag, wat een schending van artikel 6 en Pro 8 EVRM zou betekenen. Tevens werd aangevoerd dat de zaak aangehouden moest worden wegens onvolledige stukken over het tapverkeer.
De rechtbank verwierp deze verweren met het uitgangspunt dat de uitleveringsrechter niet gehouden is de rechtmatigheid van bewijs dat in de verzoekende staat is verkregen te toetsen, tenzij er ernstige aanwijzingen zijn voor grove schendingen van het EVRM. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank niet hoefde te beslissen over de inbeslaggenomen voorwerpen, omdat dit niet in de bestreden uitspraak was besloten en de opgeëiste persoon geen belang had bij een dergelijke beslissing.
Het arrest benadrukt het vertrouwen in de naleving van het EVRM door de verzoekende staat en bevestigt dat de uitleveringsprocedure niet dient te worden gebruikt voor toetsing van bewijsrechtmatigheid in het land van herkomst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Italië wordt bevestigd.