ECLI:NL:HR:2003:AF6564
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek geruisloze overgang onderneming naar BV op grond van artikel 18 Wet IB 1964
Belanghebbende verzocht de Inspecteur om een geruisloze overgang van zijn onderneming naar een besloten vennootschap op grond van artikel 18 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De Inspecteur wees dit verzoek bij beschikking af, waarna belanghebbende bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het beroep ongegrond verklaarde.
In cassatie betoogde belanghebbende dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van een omzetting van onderneming zoals bedoeld in artikel 18 van Pro de Wet. Het Hof had overwogen dat belanghebbende zijn kernactiviteiten, waaronder het optreden als loods, na de oprichting van de BV op eigen naam bleef verrichten en ook het risico van beroepsaansprakelijkheid bleef dragen. Hierdoor bleef hij winst uit onderneming genieten en was geen sprake van omzetting.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en oordeelde dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst. Omdat het verzoek was afgewezen, hadden de door de Inspecteur gestelde voorwaarden geen betekenis. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde de afwijzing van het verzoek om geruisloze overgang van de onderneming naar een BV.