ECLI:NL:HR:2003:AF5834
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over uitlevering en dubbele strafbaarheid volgens Nederlands recht
De zaak betreft een verzoek van de Russische Federatie tot uitlevering van een persoon geboren in 1975, woonachtig in Nederland en op dat moment in hechtenis. De Rechtbank Groningen had de uitlevering toegestaan op basis van bepaalde strafbepalingen, waaronder art. 307 en Pro 309 Sr, met de veronderstelling dat de strafmaat aan het verdragsvereiste voldeed.
In cassatie stelt de Hoge Raad vast dat het oordeel van de Rechtbank dat een vrijheidsstraf van ten minste een jaar kan worden opgelegd op grond van art. 307 en Pro 309 Sr onjuist is. De maximale straf bedraagt namelijk twaalf maanden, wat niet voldoet aan het verdragsvereiste van dubbele strafbaarheid.
De Hoge Raad vernietigt daarom dit onderdeel van het vonnis en stelt vast dat de feiten strafbaar zijn op grond van art. 300 in Pro verbinding met art. 44 Sr Pro, waarop wel een straf van ten minste een jaar staat. Het beroep wordt verder verworpen en het arrest wordt uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 8 april 2003.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel over strafbaarheid op grond van art. 307 en 309 Sr en bevestigt uitlevering op grond van art. 300 in verbinding met art. 44 Sr.