ECLI:NL:HR:2003:AF5420

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02550/02 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 28 UitleveringswetArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Verenigde Staten bevestigd met feitelijke specificatie

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem die de uitlevering van een opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaarde. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten de feiten te vermelden waarvoor uitlevering kan worden toegestaan, zoals vereist op grond van artikel 28, derde lid, van het Uitleveringswet.

De Hoge Raad stelt dat de uitlevering kan worden toegestaan voor de feiten zoals omschreven in de bij het uitleveringsverzoek overgelegde documenten, waaronder een affidavit en een indictment van mei 2002. Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat deze feiten strafbaar zijn naar Nederlands recht, onder meer op grond van artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.

Het beroep van de opgeëiste persoon wordt voor het overige verworpen. De Hoge Raad herstelt het verzuim van de rechtbank door de feitelijke gronden van het uitleveringsverzoek te specificeren en bevestigt de toelaatbaarheid van uitlevering. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 1 april 2003.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van uitlevering en vernietigt de uitspraak voor het ontbreken van feitelijke specificatie.

Uitspraak

1 april 2003
Strafkamer
nr. 02550/02 U
SCR/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 27 september 2002, nummer RK 02/472, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voorzover de Rechtbank heeft verzuimd de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan en art. 47 Sr Pro te vermelden als mede toepasselijke wetsbepaling, en in zoverre zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het tweede middel en ambtshalve
4.1. Het middel bevat de klacht dat in de bestreden uitspraak niet de feiten zijn vermeld waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.
4.2. Het dictum van de bestreden uitspraak houdt als beslissing van de Rechtbank in:
"verklaart toelaatbaar de uitlevering (...) ter strafvervolging terzake van de feiten, omschreven in het aanhoudingsbevel, welk stuk als bijlage aan deze uitspraak is gehecht."
4.3. Bedoeld aanhoudingsbevel is niet aan de bestreden uitspraak gehecht. Daardoor voldoet de uitspraak niet aan de eisen van art. 28, derde lid, UW. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen.
4.4. De feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan zijn naar Nederlands recht strafbaar op grond van de in de bestreden uitspraak vermelde wetsbepalingen alsmede op grond van art. 47 Sr Pro.
5. Slotsom
Het vorenoverwogene brengt mee dat, nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover de Rechtbank heeft verzuimd de feiten te vermelden waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan;
Verstaat dat de verzochte uitlevering van de opgeeiste persoon kan worden toegestaan voor de feiten als omschreven in de bij het uitleveringsverzoek overgelegde Affidavit nr. 02-173M van 16 mei 2002 en de daarbij als bijlagen A en D gevoegde stukken, te weten de Indictment nr. 02-99 en de Affidavit van 16 mei 2002;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 1 april 2003.