ECLI:NL:HR:2003:AF5416
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van uitlevering aan België ter executie van verstekvonnis ondanks verweer op grond van art. 6 EVRM
De zaak betreft het verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van een Belgische onderdaan die bij verstek door het Hof van Beroep te Gent is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet. De opgeëiste persoon was ten tijde van de aanzegging gedetineerd in Nederland.
De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar is omdat het verstekvonnis in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. De Hoge Raad onderzocht dit verweer uitgebreid, onder meer door vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten over de procesgang en de mogelijkheid tot verdediging bij het Hof van Beroep te Gent.
Uit de stukken en verklaringen bleek dat noch de opgeëiste persoon noch een raadsman bij de behandeling van het hoger beroep aanwezig waren, maar dat dit het gevolg was van het feit dat de opgeëiste persoon zich had onttrokken aan het proces door onderduiken en geen contact met zijn raadsman te onderhouden. De Hoge Raad oordeelde dat daardoor geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces was gemaakt.
De Hoge Raad vernietigde een eerdere uitspraak van de Rechtbank Maastricht waarin het verzoek tot uitlevering ten onrechte als verzoek tot strafvervolging was opgevat. Uiteindelijk verklaarde de Hoge Raad de uitlevering toelaatbaar en wees het verweer op grond van art. 6 EVRM Pro af, zodat de uitlevering aan België kon plaatsvinden ter uitvoering van de opgelegde straf.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan België toelaatbaar en verwerpt het verweer op grond van art. 6 EVRM.