ECLI:NL:HR:2003:AF4850
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingheffing borgstellingsprovisie als winstuitdeling
Belanghebbende, makelaar en directeur van een BV die onroerende zaken exploiteert, ontving in 1996 een borgstellingsprovisie van ƒ 200.000 voor het in het verleden staan borg voor hypothecaire leningen van de BV. De Inspecteur handhaafde de aanslag inkomstenbelasting over 1996, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging bij het Hof.
Het Hof oordeelde dat de provisie voor de jaren vóór 1990 niet als zakelijke vergoeding kon worden aangemerkt, mede vanwege het tijdsverloop en het feit dat de provisie achteraf was bedongen. Dit impliceerde dat de provisie een winstuitdeling was en belastbaar als inkomsten uit aandelenbezit. Belanghebbende stelde dat het bewijsaanbod onvoldoende was meegenomen en dat een ontbindende voorwaarde in de overeenkomst de provisie ongedaan maakte.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. Het bewijsaanbod was irrelevant omdat het Hof vaststelde dat belanghebbende zich in vrijwel alle gevallen hoofdelijk aansprakelijk had gesteld. De ontbindende voorwaarde had geen terugwerkende kracht en beïnvloedde het belastbare inkomen over 1996 niet. De Hoge Raad bevestigde dat de provisie een bewuste bevoordeling van belanghebbende betrof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de borgstellingsprovisie belastbaar is als winstuitdeling.