ECLI:NL:HR:2003:AF4838

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37747
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • J.C. van Oven
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 229 GemeentewetArtikel 3 Verordening marktgelden en standplaatsrechten 1998
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof Arnhem over heffing marktgeld gemeente Enschede

Belanghebbende kreeg voor 1998 een aanslag opgelegd door de gemeente Enschede voor het gebruik van een standplaats op de wekelijkse markt op het a-plein te Z. Na bezwaar handhaafde het gemeentelijk belastinghoofd de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Arnhem, dat het beroep gegrond verklaarde en de aanslag vernietigde.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste uitleg gaf aan artikel 3 van Pro de Verordening marktgelden en standplaatsrechten 1998. Volgens de Hoge Raad omvat het begrip marktgelden ook heffing voor het gebruik van gemeentelijke eigendommen die bestemd zijn voor openbare diensten, zoals een standplaats op een marktplein.

Daarnaast stelt de Hoge Raad dat de kosten van reclameactiviteiten ter bevordering van markten als door het gemeentebestuur verstrekte diensten kunnen worden aangemerkt en derhalve mogen worden gedekt uit de geheven marktgelden.

De Hoge Raad verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders gegrond, vernietigt het arrest van het Hof, behoudens het griffierecht, en verklaart het beroep van belanghebbende tegen het besluit van het belastinghoofd ongegrond. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Arnhem en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Uitspraak

Nr. 37.747
5 september 2003
wv
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 september 2001, nr. 99/3652, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in het marktgeld van de gemeente Enschede.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 ter zake van het hem ter beschikking stellen van een standplaats op een wekelijkse markt in Z een aanslag in het marktgeld van de gemeente Enschede opgelegd ten bedrage van ƒ 3634,80, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Enschede (hierna: het Hoofd) is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak alsmede de daarbij gehandhaafde aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 20 december 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, en tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak van het Hoofd.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende had in 1998 een vaste standplaats op de dinsdagse warenmarkt op het a-plein te Z. Te dier zake is hem voor het onderhavige jaar een aanslag in het marktgeld van de gemeente Enschede opgelegd. De gemeente heeft het marktgeld mede aangewend ter dekking van kosten verbonden aan reclameactiviteiten ter bevordering van markten.
3.2. Artikel 3 van Pro de Verordening marktgelden en standplaatsrechten 1998 (hierna: de Verordening) luidt:
Onder de naam marktgelden worden rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, bestaande uit het ter beschikking stellen van een standplaats voor het uitoefenen van de markthandel en daarmee verband houdende handelingen en/of het gebruik van verstrekte hulpmiddelen.
Het Hof is ambtshalve tot het oordeel gekomen dat evenvermeld artikel geen grondslag biedt voor het heffen van marktgelden ter zake van het gebruik van een gedeelte van het a-plein voor een standplaats op de aldaar gehouden dinsdag- en/of zaterdagmarkt.
3.3. De tegen dat oordeel gerichte klachten slagen. In 6.3 van zijn uitspraak heeft het Hof overwogen:
In artikel 3 van Pro de Verordening zijn marktgelden omschreven als rechten ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, derhalve als rechten in de zin van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet. Zodanig genot omvat niet het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen in de zin van onderdeel a van die wetsbepaling.
Hiermee heeft het Hof een verkeerde uitleg gegeven aan artikel 3 van Pro de Verordening. Het genot van een door het gemeentebestuur ter beschikking gestelde marktstandplaats houdt in het gebruik van een door het gemeentebestuur ter beschikking gesteld gedeelte van een voor het houden van openbare markten aangewezen terrein. Anders dan het Hof heeft geoordeeld voorziet artikel 3 van Pro de Verordening derhalve ook in heffing ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen als bedoeld in artikel 229, lid 1, letter a, van de Gemeentewet.
3.4. In 6.8 en 6.9 van zijn uitspraak heeft het Hof vervolgens nog een oordeel gegeven over de grieven van belanghebbende. In de overwegingen dienaangaande ligt besloten dat naar 's Hofs oordeel de Verordening geen grondslag biedt rechten te heffen ter dekking van de kosten van reclameactiviteiten ter bevordering van markten. Dit oordeel kan niet als juist worden aanvaard. Dergelijke reclameactiviteiten, welke vallen onder de omschrijving "met de markthandel verband houdende handelingen" in artikel 3 van Pro de Verordening, kunnen worden aangemerkt als door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als bedoeld in artikel 229, lid 1, letter b, van de Gemeentewet. De Verordening merkt het genot van evenbedoelde diensten aan als belastbaar feit, en mitsdien mag het geheven marktgeld mede dienen ter dekking van de kosten van die reclameactiviteiten.
3.5. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hoofd ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2003.