ECLI:NL:HR:2003:AF3802

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/282HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • A.G. Pos
  • O. de Savornin Lohman
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie ING in civiele vordering tot betaling

ING heeft bij de rechtbank te Middelburg een vordering ingesteld tegen [verweerder] tot betaling van ƒ 53.270,77, vermeerderd met rente, kredietprovisie en buitengerechtelijke kosten. De rechtbank wees de vordering af op 30 juli 1997. ING stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat het vonnis van de rechtbank bij eindarrest van 17 mei 2001 bekrachtigde.

Daarop stelde ING beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde ING in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak werd gedaan door een kamer onder voorzitterschap van vice-president R. Herrmann en raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, die het arrest in het openbaar uitspraken op 25 april 2003.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ING en bevestigt de afwijzing van haar vordering.

Uitspraak

25 april 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/282HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
INTERNATIONALE-NEDERLANDEN BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,
t e g e n
[verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.M. Hermans.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: ING - heeft bij exploit van 10 oktober 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Middelburg en gevorderd [verweerder] te veroordelen aan ING te betalen de somma van ƒ 53.270,77, vanaf 4 september 1996 tot de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met debetrente en kredietprovisie alsmede een bedrag van ƒ 4.223,54 wegens buitengerechtelijke kosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 30 juli 1997 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft ING hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na een tussenarrest van 8 oktober 1998 heeft het Hof bij eindarrest van 17 mei 2001 het bestreden vonnis bekrachtigd.
Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het Hof heeft ING beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. C.L. de Bel, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ING in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Lembrechtse begroot op € 702,09 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 25 april 2003.