Uitspraak
4 maart 2003.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens doodslag. Het hof had het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch vernietigd en de veroordeling uitgesproken.
Verdachte stelde middels zijn advocaat middelen van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad nam kennis van het schriftelijk commentaar van de advocaat van verdachte, maar oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om het arrest van het hof ambtshalve te vernietigen en verwierp het beroep. Daarmee bleef de veroordeling van vier jaar gevangenisstraf voor doodslag in stand.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 4 maart 2003 in ’s-Gravenhage.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor doodslag bleef in stand.