ECLI:NL:HR:2003:AF3074

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C95/315HR (16.161)
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Eenvormige Beneluxwet op de merkenBenelux Protocol van 2 december 1992
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart BMW c.s. niet-ontvankelijk in cassatieberoep na intrekking middel

In deze zaak vorderden BMW c.s., bestaande uit Bayerische Motorenwerke AG en BMW Nederland B.V., cassatie tegen een eerdere uitspraak. Het geschil betrof vragen over de uitleg van de Eenvormige Beneluxwet op de merken en het Benelux Protocol, alsmede gemeenschapsrechtelijke vragen die eerder aan het Benelux-Gerechtshof en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen waren voorgelegd.

BMW c.s. hebben op 13 september 2002 een nadere schriftelijke toelichting gegeven en vervolgens bij de rolzitting van 20 september 2002 het middel van cassatie dat zij op 10 november 1995 hadden aangevoerd, ingetrokken. De Advocaat-Generaal stelde daarop voor BMW c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in hun beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat door de intrekking van het middel BMW c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun cassatieberoep en veroordeelde hen in de kosten van het geding, inclusief de kosten van de eerdere procedures bij het Hof van Justitie en het Benelux-Gerechtshof. Het arrest werd uitgesproken op 14 maart 2003 door raadsheer F.B. Bakels.

Uitkomst: BMW c.s. zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

14 maart 2003
Eerste Kamer
Nr. 16.161 (C95/315HR)
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. de vennootschap naar Duits recht
BAYERISCHE MOTORENWERKE AG, gevestigd
te München, Bondsrepubliek Duitsland,
2. BMW NEDERLAND B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R. Laret,
thans mr. H. Ferment,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.L. Hofdijk.
1. Het geding tot dusver
De Hoge Raad verwijst voor de loop van het geding tot dusver tussen eiseressen tot cassatie - verder te noemen: BMW c.s.- en verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - naar zijn arrest van 7 februari 1997, NJ 1997, 314.
Bij dit arrest heeft de Hoge Raad het Benelux-Gerechtshof verzocht om met betrekking tot de in dit arrest onder 5 geformuleerde vragen van uitleg van de Eenvormige Beneluxwet op de merken en van het Benelux Protocol van 2 december 1992 uitspraak te doen, en tevens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om met betrekking tot de in het arrest onder 6 geformuleerde vragen van gemeenschapsrecht uitspraak te doen.
Het Benelux-Gerechtshof heeft bij arrest van 25 september 2000 in de zaak A 97/1 uitspraak gedaan.
Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft bij arrest van 23 februari 1999 in de zaak C-63/97 uitspraak gedaan.
Vervolgens hebben BMW c.s. op 13 september 2002 de zaak nader schriftelijk doen toelichten door hun advocaat.
Bij akte ter rolzitting van de Hoge Raad van 20 september 2002 hebben BMW c.s. het bij exploot van 10 november 1995 aangevoerde middel van cassatie ingetrokken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van BMW c.s. in hun cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Zoals hiervoor onder 1 is vermeld, hebben BMW c.s. het door hen bij exploot van 10 november 1995 aangevoerde middel van cassatie ingetrokken. Zij dienen derhalve in hun cassatieberoep alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart BMW c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt BMW c.s. in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en bij het Benelux-Gerechtshof, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 261,93 aan verschotten en € 3.635,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 maart 2003.