Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AF2995

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36510
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardering ondernemingsschuld op nominale waarde bij staking onderneming

Belanghebbende exploiteerde een supermarkt en staakte de onderneming op 20 oktober 1994. Op dat moment had hij een schuld van f 158.659 aan B B.V. wegens onbetaalde leveringen. De Inspecteur stelde het inkomen over 1994 vast op nihil en weigerde verliesverrekening met eerdere jaren. Het Hof vernietigde deze beslissing en stelde de aanslagen over 1991-1993 nihil.

De Inspecteur voerde in cassatie aan dat de schuld op het stakingsmoment geen economische waarde had en dat de winst uit herwaardering tot de voordelen bij staking behoorde. De Hoge Raad stelde dat een schuld die niet kan worden voldaan bij staking niet naar privé-vermogen overgaat, maar tot het ondernemingsvermogen blijft behoren. De schuld moet worden gewaardeerd op nominale waarde, tenzij vaststaat dat niet volledig betaald hoeft te worden.

Omdat belanghebbende niet mocht aannemen dat hij de schuld niet hoefde te voldoen, was de waardering op nominale waarde terecht. De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en bevestigt dat de schuld op nominale waarde moet worden gewaardeerd.

Uitspraak

Nr. 36.510
17 januari 2003
S
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2000, nr. 98/00105, betreffende na te melden aan X te Z gegeven beschikking als bedoeld in artikel 52, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
De Inspecteur heeft, nadat belanghebbende over het jaar 1994 aangifte had gedaan van een inkomen van negatief f 136.403, het inkomen vastgesteld op nihil, en bij beschikking van 11 september 1997 geweigerd het verlies over het jaar 1994 te verrekenen met het inkomen van belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 1993.
De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, alsmede de beschikking waarbij de Inspecteur verliesverrekening met de jaren 1991 tot en met 1993 heeft geweigerd, en heeft de aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1993 verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteerde een supermarkt. Op 20 oktober 1994 heeft belanghebbende de exploitatie van deze supermarkt gestaakt.
Per die datum had belanghebbende een schuld aan B B.V. (hierna: B) van f 158.659 wegens onbetaald gebleven leveringen.
In 1995 heeft B medegedeeld de invordering van het verschuldigde bedrag tot nader order aan te houden, maar ervan uit te gaan dat belanghebbende, zodra zijn positie dat weer toelaat, daarvan terstond mededeling zal doen en dan hetzij de schuld direct zal betalen, hetzij een betalingsregeling zal voorstellen.
De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat op het stakingsmoment de schuld aan B een waarde in het economische verkeer had van nihil, en dat de winst voortvloeiende uit de herwaardering van de schuld behoorde tot de voordelen welke met of bij het staken van de onderneming werden behaald.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de schuld aan B op de stakingsbalans moet worden opgenomen tegen de waarde in het economische verkeer, dat die schuld moet worden gewaardeerd tegen de waarde die de schuld vertegenwoordigt in het vermogen van de debiteur, dat dit in het algemeen is het bedrag dat de debiteur aan een derde zou moeten betalen bij overname van die schuld door die derde en dat dit bedrag in het algemeen gelijk zal zijn aan de nominale waarde van de schuld. Tegen deze oordelen richt zich het middel.
3.3. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien een ondernemingsschuld bij de staking van de onderneming van de schuldenaar (nog) niet kan worden voldaan, kan deze schuld niet naar het privé-vermogen van de schuldenaar worden overgebracht, doch blijft zij tot diens te vereffenen ondernemingsvermogen behoren. Voor de waardering van die schuld heeft als uitgangspunt te gelden dat slechts zodra vaststaat of zo goed als zeker is dat de schuldenaar de schuld niet of niet volledig behoeft te voldoen, aanleiding bestaat die schuld op een lager bedrag te waarderen dan de nominale waarde ervan.
Die aanleiding bestaat in dit geval niet nu belanghebbende klaarblijkelijk niet ervan mocht uitgaan dat hij zijn schuld aan B niet meer behoefde te voldoen. Het Hof heeft mitsdien terecht geoordeeld, wat er zij van de gebezigde gronden, dat ten tijde van de staking van belanghebbendes onderneming de schuld aan B op de nominale waarde daarvan dient te worden gewaardeerd. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens, en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.