ECLI:NL:HR:2003:AF1011

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37241
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 5 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beperking terbeschikkingstelling bedrijfsmiddelen in maatschap voor inkomstenbelasting

In deze zaak is aan belanghebbende over het jaar 1995 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 170.965. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 147.127. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 11, lid 5, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met betrekking tot de terbeschikkingstelling van bedrijfsmiddelen door een maat aan de maatschap. De Hoge Raad overwoog dat het ter beschikking gestelde bedrijfsmiddel voor zover mogelijk geacht moet worden binnen de onderneming van de maat zelf te worden aangewend. Alleen voor zover het aandeel in het bedrijfsmiddel het aandeel in de winst overstijgt, is sprake van terbeschikkingstelling.

De Hoge Raad volgde hiermee de conclusie van de Advocaat-Generaal en verwierp het cassatieberoep van de Staatssecretaris. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Het arrest werd op 31 januari 2003 uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.241
31 januari 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 mei 2001, nr. BK 00/00270, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde navorderingsaanslag.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het jaar 1995 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 170.965, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 147.127. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal L. van Kalmthout heeft op 4 oktober 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beroep.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
Indien een maat van een maatschap al dan niet gezamenlijk met andere maten een bedrijfsmiddel aan die maatschap ter beschikking stelt, zal voor de toepassing van artikel 11, lid 5, aanhef en letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het door die maat ter beschikking gestelde (aandeel in dat) bedrijfsmiddel voor zover mogelijk geacht moeten worden te worden aangewend binnen de door die maat zelf uitgeoefende onderneming. Alleen voor zover zijn aandeel in de winst van de maatschap lager is dan zijn aandeel in het desbetreffende bedrijfsmiddel is er derhalve sprake van een terbeschikkingstelling in de zin van vorenvermelde bepaling. Zoals uiteengezet in onderdeel 4 van de Conclusie van de Advocaat-Generaal, faalt daarom het middel.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 37.327 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1288, derhalve € 644, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2003.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep een griffierecht geheven van € 327.