ECLI:NL:HR:2003:AF0206
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen inbewaringstelling in faillissement
In deze zaak stond de inbewaringstelling van verzoeker op grond van artikel 87 van Pro de oude Faillissementswet centraal. De Rechtbank Groningen had op voordracht van de Rechter-Commissaris de inbewaringstelling gelast voor een maximale termijn van dertig dagen, welke op 22 oktober 2001 werd uitgevoerd. Verzoeker heeft meerdere verzoeken ingediend tot vernietiging, schorsing en opheffing van deze inbewaringstelling, welke door de rechtbank en het Gerechtshof Leeuwarden zijn afgewezen.
Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. De curator, als verweerder in cassatie, heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker wegens gebrek aan belang, aangezien de bewaringstermijn inmiddels was verstreken.
De Hoge Raad oordeelde dat de inbewaringstelling uiterlijk op 20 november 2001 was geëindigd en dat verzoeker daarom geen belang meer had bij het cassatieberoep. Gelet hierop verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beschikking werd op 17 januari 2003 in het openbaar uitgesproken door raadsheer O. de Savornin Lohman.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep wegens het ontbreken van belang omdat de bewaringstermijn was verstreken.