ECLI:NL:HR:2003:AF0136
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over geldigheid arbitragebeding in CAO bij niet-gebonden werknemer
In deze zaak stond centraal of een werknemer die niet lid was van een bij de CAO betrokken vakvereniging, gebonden kon zijn aan het arbitraal beding in die CAO. De werknemer was sinds 1960 in dienst bij de bank en zijn dienstverband werd beëindigd op grond van artikel 14a van de CAO, maar hij betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag.
De werknemer had de bank gedagvaard en vorderde onder meer de nietigheid van het ontslag en betaling van achterstallige lonen en vergoedingen. De bank stelde dat het Scheidsgerecht voor het Bankwezen bevoegd was vanwege het arbitraal beding in de CAO, maar de Kantonrechter en Rechtbank verklaarden zich bevoegd, terwijl de bank hoger beroep en cassatie instelde.
De Hoge Raad oordeelde dat het arbitragebeding in de CAO een geldige overeenkomst tot arbitrage vormt, ook voor niet-gebonden werknemers, zonder dat een uitdrukkelijke verklaring vereist is. De eerdere vonnissen werden vernietigd en de Kantonrechter werd onbevoegd verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de werknemer tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Kantonrechter onbevoegd vanwege het geldige arbitragebeding in de CAO en vernietigt eerdere vonnissen.