ECLI:NL:HR:2003:AE0477
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt objectieve rechtvaardiging voor tariefsverschil grondwaterbelasting
Belanghebbende, een waterleidingbedrijf, had bezwaar gemaakt tegen het hogere tarief grondwaterbelasting voor waterleidingbedrijven ten opzichte van andere bedrijven. Het bezwaar werd door de Inspecteur en het Hof ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde dat het tariefsverschil een verboden ongelijke behandeling betrof in strijd met artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had vastgesteld dat er sprake was van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft om dat verschil objectief en redelijk te rechtvaardigen. De wetgever baseerde het lagere tarief voor andere bedrijven op het Actieplan Waterbesparing en de daarmee samenhangende extra kosten die deze bedrijven zouden maken.
Verder achtte de Hoge Raad de raming van de kosten door de wetgever voldoende concreet en vond het argument dat waterleidingbedrijven ook kosten zouden maken op grond van een breder milieuprogramma niet vergelijkbaar. Ook de kostenstijging voor afnemers van leidingwater was volgens de wetgever relatief gering en mocht buiten beschouwing blijven.
Ten slotte werd meegewogen dat het tariefsverschil tijdelijk was en in latere jaren werd verminderd en opgeheven. De Hoge Raad concludeerde dat de wetgever zijn ruime beoordelingsmarge niet had overschreden en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het tariefsverschil in de grondwaterbelasting wordt bevestigd.