ECLI:NL:HR:2003:AD9832
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vraagt HvJ EU over kapitaalsbelasting bij informele kapitaalstorting in dochtermaatschappij
Belanghebbende, een Nederlandse BV, ontving een informele kapitaalstorting van haar moedermaatschappij, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, die rechtstreeks kapitaal aan haar Duitse dochtermaatschappij verstrekte. De Nederlandse belastingdienst legde kapitaalsbelasting op aan belanghebbende over deze informele kapitaalstorting. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, dat de heffing bevestigde.
De Hoge Raad onderzocht of deze heffing in overeenstemming is met Europese richtlijnen en het EG-Verdrag, in het bijzonder de vrijheid van vestiging. De zaak betrof de uitleg van artikel 4 van Pro Richtlijn 69/335/EEG en de vraag of kapitaalsbelasting geheven mag worden van een vennootschap die niet direct de kapitaalstorting ontving, maar economisch begunstigde is.
De Hoge Raad constateerde dat de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie onvoldoende aanknopingspunten bood en stelde daarom prejudiciële vragen over de toelaatbaarheid van de heffing en het beleid van de belastingdienst, dat afhankelijk van de vestigingsplaats van de dochtermaatschappij verschillende gevolgen heeft.
De Hoge Raad hield de zaak aan en schortte het geding totdat het Hof van Justitie uitspraak doet over deze vragen, waarmee de rechtszekerheid omtrent de toepassing van kapitaalsbelasting binnen concernstructuren en grensoverschrijdende situaties wordt bevorderd.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie uitspraak doet over de prejudiciële vragen.