ECLI:NL:HR:2002:AF2258

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37677
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • A.R. Leemreis
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt waardebepaling onroerende zaak na bezwaar en beroep

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van zijn onroerende zaak aan de A-straat 1 te Q voor de periode 1997-2000, die aanvankelijk op ƒ 457.000 was vastgesteld. Na bezwaar stelde de Inspecteur de waarde bij uitspraak vast op ƒ 394.000. Belanghebbende ging hiertegen in beroep bij het Hof, dat de waarde verder verlaagde naar ƒ 355.000.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen het arrest van het Hof. Hij klaagde onder meer dat hij niet adequaat had kunnen reageren op stukken die de Inspecteur ter zitting had overgelegd. De Hoge Raad oordeelde echter dat deze stukken geen zodanige nieuwe informatie bevatten dat de procespositie van belanghebbende was geschaad.

De overige klachten van belanghebbende werden eveneens verworpen, mede omdat deze geen rechtsvragen opriepen die relevant waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de waardebepaling van de onroerende zaak blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 37.677
20 december 2002
cl
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 oktober 2001, nr. BK-99/00657, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 457.000.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur der gemeentelijke belastingen van de gemeente Leiden bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op ƒ 394.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op ƒ 355.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende klaagt in cassatie over de processuele gang van zaken bij het Hof, omdat hij naar zijn mening niet in de gelegenheid is gesteld om adequaat te reageren op de door de Inspecteur ter zitting overgelegde stukken. Uit de stukken van het geding die belanghebbende al voor de zitting ter beschikking stonden blijkt echter, dat de ter zitting door de Inspecteur overgelegde stukken niet zodanige informatie behelsden met betrekking tot de waardering van zijn onroerende zaak respectievelijk de referentiepanden, dat belanghebbende in zijn procespositie werd geschaad, doordat hij eerst tijdens de zitting van die stukken kon kennisnemen. De klacht faalt mitsdien.
3.2. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.