ECLI:NL:HR:2002:AF2254
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid premie kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 53.714. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 63.714 en een verhoging van 100 procent, waarvan 50 procent werd kwijtgescholden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag en verhoging. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de navorderingsaanslag tot een aanslag zonder verhoging.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De kern van het geschil betrof de aftrekbaarheid van premies betaald na 31 december 1991 voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, die was gesloten tussen 15 oktober 1990 en 1 januari 1992. De tussenpersoon had bewust de indruk gewekt dat de verzekering vóór 16 oktober 1990 was gesloten.
De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling van artikel 75 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 niet van toepassing was omdat de verzekering na 15 oktober 1990 was gesloten en premies na 31 december 1991 waren betaald. Omdat de verzekering niet met terugwerkende kracht was aangepast aan de voorwaarden voor aftrek vanaf 1992, was de premie niet aftrekbaar als persoonlijke verplichting. Het middel faalde en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de premie niet aftrekbaar is.