ECLI:NL:HR:2002:AF2253
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-aftrekbaarheid premie kapitaalverzekering met lijfrenteclausule na 1991
Belanghebbende kreeg voor 1994 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 53.038. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 58.038, met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% werd kwijtgescholden. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag en het kwijtscheldingsbesluit. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de navorderingsaanslag tot een aanslag zonder verhoging.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad nam in cassatie het standpunt in dat de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule die na 15 oktober 1990 maar vóór 1 januari 1992 tot stand kwam en waarvoor premies na 31 december 1991 zijn betaald, niet voldoet aan de voorwaarden voor aftrek van premies als persoonlijke verplichting volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De tussenpersoon had bewust de indruk gewekt dat de verzekering voor 16 oktober 1990 was afgesloten, maar dit was niet het geval.
Het Hof had geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende niet hoefde toe te staan de verzekering met terugwerkende kracht aan te passen aan de voorwaarden die vanaf 1992 gelden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de overgangsregeling van artikel 75 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 niet van toepassing was. Daarom was de betaalde premie niet aftrekbaar. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de premie niet aftrekbaar is.