ECLI:NL:HR:2002:AF0616
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduring staandehouding bij verzet tegen opsporingsambtenaren
De zaak betreft een verdachte die op 1 januari 1999 te Rotterdam werd staande gehouden door opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie wegens het ontbreken van een geldig vervoersbewijs. Tijdens de controle weigerde verdachte zijn juiste adres op te geven en gaf een ontwijkend antwoord. Vervolgens probeerde hij weg te lopen en verzette zich met geweld tegen de ambtenaren.
Het hof oordeelde dat de staandehouding voortduurde op het moment dat verdachte werd vastgepakt en naar zijn naam werd gevraagd, ondanks zijn ontwijkende antwoord. De verdachte werd veroordeeld voor wederspannigheid tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
In cassatie stelde verdachte dat de bevoegdheid tot staande houden was geëindigd nadat hij antwoord had gegeven op de adresvraag, waardoor het verzet niet tijdens een geldige staandehouding zou hebben plaatsgevonden. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat de bevoegdheid tot staande houden niet eindigt door het geven van een ontwijkend antwoord op een vraag naar personalia.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens wederspannigheid tijdens een voortgezette staandehouding.