ECLI:NL:HR:2002:AF0616

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02165/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 52 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduring staandehouding bij verzet tegen opsporingsambtenaren

De zaak betreft een verdachte die op 1 januari 1999 te Rotterdam werd staande gehouden door opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie wegens het ontbreken van een geldig vervoersbewijs. Tijdens de controle weigerde verdachte zijn juiste adres op te geven en gaf een ontwijkend antwoord. Vervolgens probeerde hij weg te lopen en verzette zich met geweld tegen de ambtenaren.

Het hof oordeelde dat de staandehouding voortduurde op het moment dat verdachte werd vastgepakt en naar zijn naam werd gevraagd, ondanks zijn ontwijkende antwoord. De verdachte werd veroordeeld voor wederspannigheid tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.

In cassatie stelde verdachte dat de bevoegdheid tot staande houden was geëindigd nadat hij antwoord had gegeven op de adresvraag, waardoor het verzet niet tijdens een geldige staandehouding zou hebben plaatsgevonden. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat de bevoegdheid tot staande houden niet eindigt door het geven van een ontwijkend antwoord op een vraag naar personalia.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens wederspannigheid tijdens een voortgezette staandehouding.

Uitspraak

17 december 2002
Strafkamer
nr. 02165/01
PB/SMA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 juni 2001, nummer 22/002640-00, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 mei 2000 - de verdachte ter zake van "wederspannigheid" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.L.T. van Roy, advocaat te Leiden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen de verwerping door het Hof van een in
hoger beroep gevoerd verweer, inhoudende dat er ten tijde van de aan de verdachte verweten feitelijke handelingen geen sprake meer was van "staande houden" in de zin van art. 52 Sv Pro.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 01 januari 1999 te Rotterdam, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende opsporingsambtenaren, te weten hoofdagenten van de Spoorwegpolitie te Rotterdam, verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van een op heterdaad ontdekt strafbaar feit hadden staande gehouden teneinde naar zijn adres te vragen, ingevolge artikel 52 van Pro het Wetboek van Strafvordering, en hadden vastgegrepen, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door weg te (willen) lopen en te duwen en een slaande beweging te maken in de richting van een of meer opsporingsambtenaren."
3.3. Het Hof heeft het hiervoor bedoelde verweer als volgt verworpen:
"Naar het oordeel van het hof duurde de staandehouding nog voort op het moment waarop de verdachte door de verbalisanten opnieuw werd vastgepakt en naar zijn naam werd gevraagd. Door verdachte was tot op dat moment geen relevant antwoord gegeven op de vraag van de verbalisanten zijn juiste adres aan hen op te geven. Immers, nadat verdachte op de voornoemde vraag had geantwoord dat hij geen adres had en dat de verbalisanten zijn adres waar hij ingeschreven stond zelf maar moesten opzoeken, was hij van de verbalisanten weggelopen. Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de aan de verdachte tenlastegelegde feitelijke handelingen zijn verricht tijdens de staandehouding van de verdachte."
3.4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen het volgende vastgesteld:
- de verdachte beschikte bij controle van de vervoersbewijzen in de trein niet over een geldig vervoersbewijs;
- toen de verdachte, die na overhandiging van zijn rijbewijs stelde dat het op het rijbewijs vermelde adres was achterhaald, weigerde zijn juiste adres op te geven, heeft de hoofdconductrice de Spoorwegpolitie gewaarschuwd;
- op het station heeft een van de verbalisanten de verdachte aan zijn rechterarm gepakt om hem staande te houden, omdat de verdachte wegliep in de richting van de trap;
- nadat de verbalisanten de verdachte hadden gevraagd om zijn juiste adres op te geven, zei de verdachte dat hij geen adres had en dat de verbalisanten het adres waar hij ingeschreven stond, zelf maar moesten opzoeken;
- de verdachte wilde vervolgens weglopen, maar werd tegengehouden door een van de verbalisanten;
- daarop heeft de verdachte naar een of meer verbalisanten een slaande beweging gemaakt.
3.5. Het middel komt er blijkens de toelichting op neer dat de bevoegdheid tot staande houden als bedoeld in art. 52 Sv Pro was geëindigd op het moment dat de verdachte antwoord had gegeven op de door de verbalisant gestelde vraag naar zijn adres, zodat, aldus de toelichting op het middel, datgene wat vervolgens gebeurde, niet meer plaatsvond tijdens het staande houden van de verdachte.
3.6. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld, zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven, geeft het oordeel van het Hof dat het staandehouden nog voortduurde op het moment waarop de verdachte opnieuw werd vastgepakt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het behoefde ook geen nadere motivering. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, naar redelijke uitleg van art. 52 Sv Pro, de bevoegdheid tot staande houden niet reeds eindigt door de enkele omstandigheid dat de verdachte een door de opsporingsambtenaar gestelde vraag naar zijn personalia niet of ontwijkend heeft beantwoord.
3.7. Het middel faalt dus.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 17 december 2002.