ECLI:NL:HR:2002:AF0076
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag wegens voordeel uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid
Belanghebbende, directeur van een B.V. en in dienstbetrekking bij een moedermaatschappij, was betrokken bij de verkoop van bedrijfspanden en een stuk grond in 1993. Bij deze transactie werd een bedrag van ƒ 200.000 bedongen als tegenprestatie die niet via de werkgeefster, maar via een derde partij, D B.V., werd betaald. Het hof oordeelde dat deze betaling deels uit nep-facturen bestond en dat belanghebbende hierdoor een voordeel genoot.
De navorderingsaanslag werd opgelegd op basis van dit voordeel, dat volgens het hof deels als voordeel in natura werd gezien. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest, terwijl de Staatssecretaris van Financiën incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad oordeelde dat het voordeel van ƒ 200.000 uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid voortvloeit uit de afspraken en betalingen via D B.V.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest, bevestigde de uitspraak van de inspecteur en verklaarde het incidentele beroep van de Staatssecretaris gegrond. Het principale beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de navorderingsaanslag van de inspecteur wegens een belastbaar voordeel van ƒ 200.000 uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid.